Alle ogen gericht op de populaire klasgenoot

Het advies ‘eerst denken dan doen’ heb je vast wel eens voorbij horen komen. Het laat zien dat mensen regelmatig overgaan tot actie zonder dat ze hier heel bewust van zijn, of bewust bij hebben stilgestaan. Onbewuste processen spelen een grote rol in de manier waarop volwassenen met elkaar omgaan. Verrassend genoeg is naar onbewuste processen in sociale relaties tussen kinderen nog nauwelijks onderzoek gedaan. Dit terwijl deze onbewuste processen bij kinderen misschien nog wel een grotere rol spelen in hoe ze met elkaar omgaan dan bij volwassenen. In mijn onderzoek heb ik me daarom gericht op de rol van onbewuste processen in hoe kinderen met hun klasgenoten omgaan.

Een groot aantal onderzoeken bij volwassenen hebben laten zien dat een onbewuste mening, dus hoe positief of negatief je tegenover iets of iemand staat als je daar niet uitgebreid over nadenkt, gedrag voorspelt waar mensen niet heel lang over nadenken. Je bewuste mening over een etnische groep is bijvoorbeeld voorspellend voor wat je tegen een persoon uit die etnische groep zegt, maar je onbewuste mening over de groep is voorspellend voor hoeveel je de ander in de ogen kijkt, naar hem glimlacht en hoe ver je van de ander af blijft staan (Dovidio, Kawakami, & Gaertner, 2002; McConnell & Leibold, 2001; Dotsch & Wigboldus, 2008). Ook blijkt dat bij een potje tennis het bewuste doel om leuke interacties met anderen te hebben, voorspellend is voor wat een tennisser tegen zijn tegenstander zegt. Het onbewuste doel om leuk contact met anderen te hebben, is juist voorspellend voor de indirecte vriendelijkheid tijdens de wedstrijd: zoals de tegenstander minder lang laten wachten bij het wisselen van kant, en minder tijd besteden aan het bediscussiëren van de beslissing van de scheidsrechter (Wegner et al., 2014).

De vraag is nu welke rol onbewuste processen spelen bij hoe kinderen met elkaar omgaan. Kinderen zijn namelijk minder dan volwassenen bezig met wat sociaal wenselijk is en reageren vaker spontaan op hun eerste impulsen (Steinberg, 2005). Volgens het MODE-model (Fazio, 1990) wordt in dat geval de impact van onbewuste processen op gedrag groter. Dit MODE-model veronderstelt dat bewuste afwegingen alleen het gedrag van mensen sturen als zij gemotiveerd zijn en zij de mogelijkheid hebben om er energie aan te besteden. Wanneer de motivatie en/of mogelijkheid om gedrag te controleren laag is, wordt gedrag juist door onbewuste processen gestuurd. Om het in de termen van Fazio’s theorie te zeggen: de kans is klein dat kinderen erg gemotiveerd zijn en ook goed ontwikkelde mogelijkheden hebben om hun onbewuste reacties te onderdrukken. Hierdoor wordt hun gedrag mogelijk vaker geleid door hun onbewuste mening dan door hun bewuste afwegingen.

Populariteit en onbewuste processen bij kinderen

Aan mijn onderzoeken deden kinderen uit groep 7 en 8 van de basisschool mee. Bij deze leeftijdsgroep speelt populariteit een belangrijke rol in hun dagelijks leven (LaFontana & Cillessen, 2010). Daarom heb ik op verschillende manieren gekeken naar onbewuste reacties op populariteit: of populaire kinderen onbewust de aandacht trekken van hun klasgenoten en hoe positief de onbewuste reactie op populaire en onpopulaire klasgenoten is. Dit is belangrijk om te weten omdat onbewuste aandacht en onbewuste meningen mogelijk een rol spelen in hoe kinderen met hun klasgenoten omgaan.

In het eerste onderzoek keken kinderen steeds naar een foto van een populaire en naar een foto van een onpopulaire klasgenoot. Beiden verschenen twee seconden op het computerscherm. Kinderen bleken vaker als eerst naar de populaire klasgenoot te kijken en ze keken in totaal langer naar de populaire klasgenoot. Dit duidt erop dat populariteit een rol speelt bij zowel onbewust kijkgedrag (de eerste blik), als bij meer gecontroleerd kijkgedrag (de totale tijd dat er naar een foto gekeken wordt) (Lansu, Cillessen, & Karremans, 2014).

Kinderen kijken waarschijnlijk naar populaire klasgenoten omdat zij invloedrijk zijn in de klas. Zij bepalen voor een groot deel de sociale normen en sociale dynamiek in de klas. Deze aandacht kan op zijn beurt de invloed van de populaire kinderen verder vergroten. Als anderen je (bewust of onbewust) aandacht geven maakt dit jouw invloed op anderen nog groter en wordt je hoge positie in de groep nog verder bevestigd.

Vervolgens bekeek ik hoe positief de bewuste én onbewuste reacties op populaire klasgenoten waren. Wanneer we kinderen naar hun mening over de populaire kinderen vroegen (bewuste beoordeling),  bleek dat populaire kinderen vaker aardig dan onaardig werden gevonden. Voor de onbewuste beoordeling gebruikte ik een soort computerspel met een joystick. Uit eerder onderzoek blijkt dat mensen bij positieve dingen sneller naar zich toetrekken dan van zich wegduwen met de joystick. Bij negatieve dingen zijn mensen juist sneller in het van zich weg duwen dan in het naar zich toe trekken (Chen & Bargh, 1999). Ik keek daarom of kinderen sneller zijn in het in het naar zich toe trekken dan in het wegduwen van de namen van hun populaire klasgenoten. De resultaten van deze taak lieten een heel ander beeld zien dan de bewuste beoordeling: hoewel populaire kinderen op het bewuste niveau positief werden beoordeeld (ze werden aardig gevonden), riepen ze op het onbewuste niveau een negatieve reactie op (ze werden sneller weggeduwd dan naar zich toe getrokken) (Lansu, Cillessen, & Karremans, 2012).

Populaire kinderen gedragen zich meestal zowel prosociaal als agressief, bijvoorbeeld door soms klasgenoten te helpen, en soms klasgenoten juist te pesten (Cillessen & Rose, 2005). Dit verklaart mogelijk waarom de bewuste en onbewuste reacties van anderen op hen van elkaar verschillen. Als je de tijd hebt, weeg je misschien de voor en nadelen tegen elkaar af en wordt je oordeel meer gestuurd door interessante en leuke eigenschappen van populaire kinderen. Maar als je snel moet beslissen, neem je liever het zekere voor het onzekere. Negatieve punten (mogelijk ‘gevaar’ voor jou) wegen dan instinctief zwaarder dan positieve punten (mogelijke ‘beloning’ voor jou), wat waarschijnlijk leidt tot een bewuste positieve reactie, maar een onbewuste wat negatievere (voorzichtigere) reactie.

Vooruit kijken

Met deze onderzoeken wordt een eerste stap gezet om onbewuste processen bij kinderen op de kaart te zetten. Meer inzicht in dit soort processen stelt ons in staat beter te begrijpen hoe de sociale wereld van kinderen in elkaar steekt. Als we dat beter begrijpen kunnen we hopelijk gerichter en effectiever ingrijpen wanneer kinderen op een vervelende manier met elkaar omgaan (bijvoorbeeld wanneer een kind wordt buitengesloten). Dit kan leerkrachten extra handvaten geven om kinderen te helpen om zo goed en veilig mogelijk op te groeien.

Literatuurlijst

Chen, M., & Bargh, J. A. (1999). Consequences of automatic evaluation: Immediate behavioral predispositions to approach or avoid the stimulus. Personality and Social Psychology Bulletin, 25, 215-224. doi: 10.1177/0146167299025002007

Cillessen, A. H. N., & Rose, A. J. (2005). Understanding popularity in the peer system. Current Directions in Psychological Science, 14, 102-105. doi: 10.1111/j.0963-7214.2005.00343.x

Dotsch, R., & Wigboldus, D. H. J. (2008). Virtual prejudice. Journal of Experimental Social Psychology, 44, 1194-1198. doi: 10.1016/j.jesp.2008.03.003

Dovidio, J. F., Kawakami, K., & Gaertner, S. M. (2002). Implicit and explicit prejudice and interracial interactions. Journal of Personality and Social Psychology, 82, 62-68. doi: 10.1037/0022-3514.82.1.62

Fazio, R. H. (1990). A practical guide to the use of response latency in social psychological research. In C. Hendrick & M. S. Clark (Eds.), Research methods in personality and social psychology (pp. 74-97). Newbury Park, CA: Sage.

LaFontana, K. M., & Cillessen, A. H. N. (2010). Developmental changes in the priority of perceived status in childhood and adolescence. Social Development, 19, 130-147. doi: 10.1111/j.1467-9507.2008.00522.x

Lansu, T. A. M., Cillessen, A. H. N., & Karremans, J. C. (2012). Implicit associations with popularity in early adolescence: An approach-avoidance analysis. Developmental Psychology, 48, 65-75. doi: 10.1037/a0025681

Lansu, T. A. M., Cillessen, A. H. N., & Karremans, J. C. (2014). Adolescents’ selective attention for high-status peers: The role of perceiver status and gender. Child Development, 85, 421–428. doi: 10.1111/cdev.12139

McConnell, A. R., & Leibold, J. M. (2001). Relations among the Implicit Association Test, discriminatory behavior, and explicit measures of racial attitudes. Journal of Experimental Social Psychology, 37, 435-442. doi: 10.1006/jesp.2000.1470

Steinberg, L. (2005). Cognitive and affective development in adolescence. Trends in Cognitive Sciences, 9, 69-74. doi: 10.1016/j.tics.2004.12.005

Wegner, M., Bohnacker, V., Mempel, G., Teubel, T., & Schüler, J. (2014). Explicit and implicit affiliation motives predict verbal and nonverbal social behavior in sports competition. Psychology of Sport and Exercise, 15, 588-595. doi: 10.1016/j.psychsport.2014.06.001


Auteur(s) van het artikel

begrippenlijst van artikel

Facebook