Communiceren mensen via geur? De zoektocht naar feromonen

Kunnen mensen communiceren via geur? Volgens het gezaghebbende wetenschappelijke tijdschrift Science is dit één van de belangrijkste onbeantwoorde vragen in de wetenschap. Sociale communicatie via geur vindt plaats bij vele diersoorten. Is de mens een uitzondering? En hoe stellen we dit vast, aangezien geuren ons (sociale) gedrag voornamelijk buiten ons bewustzijn om beïnvloeden?


Afbeelding van Pixabay (https://pixabay.com/nl/rook-rokerig-licht-geur-ruiken-1830840/), CC0 1.0 (https://creativecommons.org/publicdomain/zero/1.0/deed.nl)

Al eeuwenlang hebben mensen hun licht laten schijnen over het mogelijke bestaan van menselijke communicatie via geur, van antieke (ongeschoren) Griekse filosofen tot hedendaagse (gladde) deodorant-marketeers. Dit heeft geleid tot vele misvattingen. Zo noemden Aristoteles, Kant, en later Freud het menselijk reukvermogen “minderwaardig, dierlijk en onbeschaafd” (Le Guérer, 2002). Daarentegen claimen marketeers een rol voor geur in seksuele aantrekking, terwijl dit voor mensen nooit bewezen is. In het moeras van meningen biedt de wetenschap uitkomst.

Ironisch genoeg was het de “wetenschap” zelf dat verder wetenschappelijk onderzoek naar het reukorgaan ontmoedigde. Vroege observaties (1879) van de befaamde wetenschapper Paul Broca hebben lang het idee in stand gehouden van een minderwaardig menselijk reukorgaan (McGann, 2017). Broca observeerde dat, vergeleken met andere dieren, de menselijke hersenschors (de “zetel” van onze ratio en impulscontrole) veel groter is dan lagergelegen hersengebieden, welke geuren verwerken. Deze bevinding werd vervolgens geïnterpreteerd als bewijs dat het menselijk reukvermogen minder goed is dan het reukvermogen van dieren.

Recent onderzoek laat echter zien dat mensen niet per seeen slechter reukvermogen hebben dan dieren. Een reukvaardigheid die mensen delen met bijvoorbeeld honden en muizen is dat ze een geurspoor door een grasveld kunnen traceren (Porter et al., 2007). Daarnaast zijn mensen soms beter in het detecteren van geuren dan honden en muizen (Güven & Laska, 2012), zoals bijvoorbeeld het zurig-ruikende octaanzuur dat voorkomt in bier, maar ook in lichaamsgeur. Net als andere dieren hebben mensen het vermogen tot sociale communicatie via lichaamsgeur. Tientallen onderzoeken hebben inmiddels aangetoond dat iemands lichaamsgeur onbewust sociale informatie kan communiceren zoals iemands identiteit, geslacht, leeftijd, gezondheidsstatus en emoties (voor een overzicht, zie: de Groot, Semin, & Smeets, 2017). Het lijkt er dus sterk op dat mensen kunnencommuniceren via geur, maar hoe het precies werkt is nog onduidelijk. Het is daardoor nog steeds controversieel om te spreken van menselijke  feromonen (Doty, 2010). Waar komt de controverse vandaan, en hoe lossen we deze op?

Allereerst, wat zijn feromonen? Het vaststellen van hun bestaan vereist een goede wetenschappelijke definitie. Op basis van het eerste onderzoek naar feromonen bij motten werden feromonen gedefinieerd als een enkel molecuul die in een soortgenoot een specifieke aangeboren reactie veroorzaakt (Karlson & Lüscher, 1959). Deze feromoon-definitie bleek later echter niet eens gangbaar voor kakkerlakken en konijnen, laat staan voor mensen. Menselijke lichaamsgeur bestaat namelijk uit honderden moleculen. Daarnaast is het nog maar de vraag in hoeverre mensen aangeboren reacties vertonen op geuren. Ons reukorgaan is al functioneel vóór onze geboorte, en pasgeboren baby’s vertonen een geleerde voorkeur voor specifieke geurstoffen die in het vruchtwater zijn beland dankzij hun moeders’ dieet (Mennella & Ventura, 2010). Vervolgens ontstaan er culturele verschillen in geurwaarneming (Ayabe-Kanamura et al., 1998): waar Japanners de geur van gefermenteerde sojabonen (nattō) goed kunnen weerstaan, denken Westerlingen aan uitwerpselen en braaksel.

Deze bevindingen roepen de vraag op in hoeverre menselijke sociale communicatie via geur wél universeel is. Een vernieuwde feromoon-definitie heeft zich losgemaakt van de vraag of reacties op feromonen aangeboren of aangeleerd zijn (of beiden), en focust zich op de schaalwaarop mensen feromonen produceren en waarnemen (Wyatt, 2015). Als we de emotie angst als voorbeeld nemen, betekent dit dat ieder mens het vermogen moet hebben om het angst- feromoon te produceren en (onbewust) waar te nemen. De inhoud (dat wil zeggen: de moleculen) van dit angst- feromoon moeten voldoende hetzelfde zijn van persoon tot persoon om te zorgen voor een communicatieve verbinding tussen een zender en ontvanger. 

Eerder onderzoek heeft zich echter vooralsnog gericht op het meten van psychologische reacties op beoogde angst- feromonen bij “ontvangers”. Een dergelijk psychologisch experiment ziet er als volgt uit: allereerst wordt via absorberende kompressen onder de oksel lichaamsgeur verzameld van “zenders” die bijvoorbeeld door films in een angstige versus kalme staat worden gebracht. Vervolgens worden beide geuren afwisselend gepresenteerd aan een nieuwe groep onwetende “ontvangers”, terwijl hun gemoed, gedrag, waarneming en/of hersenactiviteit wordt gemeten. Verscheidene onderzoeken laten zien dat het (onbewust) ruiken van angstzweet automatisch angst oproept bij een ontvanger (genaamd: emotionele besmetting) (zie de Groot & Smeets, 2017, voor een meta-analyse). Wanneer mensen bijvoorbeeld aan angstzweet blootgesteld werden, vertoonden zij sterkere schrikreacties op plotselinge luide tonen dan mensen die aan “controle” zweet werden blootgesteld (Pause, Adolph, Prehn-Kristensen, & Ferstl, 2009) en werden dubbelzinnige gezichten (50% blij, 50% angstig) vaker waargenomen als angstig (Zhou & Chen, 2009). Bovendien liet een ontvanger na blootstelling aan angstzweet zelfeen angstige gezichtsuitdrukking zien (Figuur 1) (zie bijvoorbeeld, de Groot, Semin, & Smeets, 2014). Volgens Darwin (1872/1998) is dit functioneel: een angstige gezichtsuitdrukking vergroot automatisch iemands gezichtsveld, waardoor een mogelijke bedreiging sneller ontdekt kan worden (Susskind et al., 2008). De geur van angst fungeert dus als een (onbewust) waarschuwingssignaal (de Groot, Smeets, Kaldewaij, Duijndam, & Semin, 2012).

Tezamen hinten deze resultaten naar een menselijk vermogen om angst te communiceren via lichaamsgeur. Omdat eerder onderzoek zich beperkt tot het observeren van psychologische reacties in voornamelijk blanke Westerlingen, blijft de vraag of de beoogde angst- feromonen universeel geproduceerd én waargenomen worden, dus ook door personen met een andere culturele en genetische achtergrond? Een zeer informatieve groep zou bestaan uit Oost-Aziaten, die 80-95% kans hebben op een genetische variant die ervoor zorgt dat hun lichaamsgeur vrijwel afwezig is (Harker et al., 2013). Zorgt deze genetische variant ervoor dat Oost-Aziaten geen angst- feromonen kunnen produceren? Of produceren zij alsnog angst- feromonen ondanksdeze genetische variant? Via speciale analysetechnieken kunnen we de moleculen achterhalen die samen het angst- feromoon vormen. Is dit een universele “vingerafdruk” die, ongeacht cultuur of genen, universeel wordt waargenomen?

De zoektocht naar de immer nog mysterieuze feromonen duurt dus nog voort. Het menselijk reukzintuig is beter dan eerder gedacht, en bevat meer “dierlijke” functies dan waar we ons bewust van zijn. Het feit dat we ons niet bewust zijn van de effecten van geuren op ons gedrag, wil allerminst zeggen dat geuren ons gedrag niet kunnen sturen. Geuren beïnvloeden ons juist buiten ons bewustzijn om. Op deze manier verkrijgen wij sociale informatie van andere personen. Het vermogen tot sociale communicatie via geur blijft een opmerkelijke, onderschatte, en relatief onbegrepen functie van het menselijk reukzintuig.

Figuur 1. Een voorbeeld van menselijke sociale communicatie via geur (de Groot et al., 2014). Blootstelling aan angstzweet van een zender (vergeleken met “gewone” transpiratie) leidt bij een ontvanger tot emotionele besmetting, namelijk een angstige gezichtsuitdrukking. Dit werd gemeten via elektroden op de spieren medialis frontalis (trekt wenkbrauw omhoog) en corrugator supercilii (frons).

Referentielijst

  • Ayabe-Kanamura, S., Schicker, I., Laska, M., Hudson, R., Distel, H., Kobayakawa, T., & Saito, S. (1998). Differences in perception of everyday odors: A Japanese-German cross-cultural study. Chemical Senses, 23, 31-38.
  • Darwin, C. (1872/1998). The Expression of the Emotions in Man and Animals. New York: Oxford University Press.
  • de Groot, J. H. B., Semin, G. R., & Smeets, M. A. M. (2014). I can see, hear, and smell your fear: Comparing olfactory and audiovisual media in fear communication. Journal of Experimental Psychology: General, 143, 825-834. doi: 10.1037/a0033731
  • de Groot, J. H. B., Semin, G. R., & Smeets, M. A. M. (2017). On the communicative function of body odors: A theoretical integration and review. Perspectives on Psychological Science, 12,306-324. doi: 10.1177/1745691616676599
  • de Groot, J. H. B., & Smeets, M. A. M. (2017). Humanfear chemosignaling: Evidence from a meta-analysis. Chemical Senses, 42, 663-673.
  • de Groot, J. H. B., Smeets, M. A. M., Kaldewaij, A., Duijndam, M. A. J., & Semin, G. R. (2012). Chemosignals communicate human emotions. Psychological Science, 23, 1417-1424. doi: 10.1177/0956797612445317
  • Doty, R. L. (2010). The Great Pheromone Myth. Baltimore, MD: Johns Hopkins University Press.
  • Güven, S. C., & Laska, M. (2012). Olfactory sensitivity and odor structure-activity relationships for aliphatic carboxylic acids in CD-1 mice. PLoS One7, e34301. doi: 10.1371/journal.pone.0034301
  • Harker, M., Carvell, A. M., Marti, V. P., Riazanskaia, S., Kelso, H., Taylor, D., ... & Kirk, J. M. (2014). Functional characterisation of a SNP in the ABCC11 allele—effects on axillary skin metabolism, odour generation and associated behaviours. Journal of Dermatological Science, 73, 23-30.
  • Karlson P., Lüscher M.(1959).“Pheromones”: A new term for a class of biologically active substances. Nature, 183, 55–56
  • Le Guérer, A. (2002). Olfaction and cognition: A philosophical and psychoanalytic view. In C. Rouby et al. (Eds.), Olfaction, Taste, and Cognition (pp. 3-15). New York: Cambridge University Press.
  • McGann, J. P. (2017). Poor human olfaction is a 19th-century myth. Science356eaam7263. doi: 10.1126/science.aam7263
  • Mennella, J. A., & Ventura, A. K. (2010). Understanding the basic biology underlying the flavor world of children. Current Zoology56, 834-841.
  • Pause, B. M., Adolph, D., Prehn-Kristensen, A., & Ferstl R.(2009). Startle response potentiation to chemosensory anxiety signals in socially anxious individuals. International Journal of Psychophysiology, 7488-92.
  • Porter, J., Craven, B., Khan, R. M., Chang, S. J., Kang, I., Judkewitz, B., ... & Sobel, N. (2007). Mechanisms of scent-tracking in humans. Nature Neuroscience, 10, 27-29. doi:10.1038/nn1819
  • Susskind, J. M., Lee, D. H., Cusi, A., Feiman, R., Grabski, W., Anderson, A. K. (2008). Expressing fear enhances sensory acquisition. Nature Neuroscience, 11, 843-850.
  • Wyatt, T. D. (2015). The search for human pheromones: The lost decades and the necessity of returning to first principles. Proceedings of the Royal Society B: Biological Sciences, 282, 20142994. doi: 10.1098/rspb.2014.2994
  • Zhou, W., & Chen, D. (2009). Fear-related chemosignals modulate recognition of fear in ambiguous facial expressions. Psychological Science, 20, 177-183. doi: 10.1111/j.1467-9280.2009.02263.x 

Auteur(s) van het artikel

begrippenlijst van artikel

Facebook