Culturele diversiteit binnen één wij(k)

Mensen denken graag in termen van "wij" versus "zij", en dat leidt soms tot hevige conflicten, zoals bijvoorbeeld in Culemborg. Kunnen deze conflicten voorkomen worden door dit "wij" versus "zij"-denken te verminderen?

Klik hier voor een pdf-versie van dit artikel

"Gewone vechtpartij' ontaardt in etnisch conflict" (Culemborgse Courant, 2009).

In de afgelopen decennia is de culturele diversiteit in samenlevingen als die van Nederland aanzienlijk toegenomen. Als gevolg daarvan komen we dagelijks in contact met mensen van een andere culturele achtergrond; op televisie, op ons werk en in onze woonomgeving. Deze diversiteit in culturele afkomst kan leiden tot een meer dynamische en interessante wereld. Echter, een voorwaarde is dat mensen deze verschillen kunnen waarderen en niet als bedreiging zien. Verschillen tussen groepen kunnen namelijk gemakkelijk leiden tot 'wij-zij' denken met als gevolg vooroordelen en spanningen. Deze gevolgen komen niet alleen tot uiting in hevig geëscaleerde conflicten tussen bewoners van verschillende culturele afkomst, zoals recentelijk bleek in de Culemborgse wijk Terweijde, maar heeft ook zijn weerslag op hoe bewoners dagelijks met elkaar omgaan. Het voorkomen van segregatie en negatieve beeldvorming tussen de verschillende culturele groepen vormt dan ook een speerpunt voor het stedelijk beleid in Nederland (bijv. VROM, 2007).

Sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog zijn sociaal psychologen onderzoek gaan doen naar de (negatieve) effecten van wij-zij denken op de waarnemingen en het gedrag van mensen. De basis werd gelegd door een groep psychologen die in de oorlogsjaren naar de Verenigde Staten waren getrokken, op de vlucht voor het oprukkende Naziregime in Europa. Geïnspireerd door de vraag hoe en waarom mensen zich zo negatief tegenover anderen op kunnen stellen, puur en alleen om hun groepslidmaatschap, hebben zij de basis gelegd voor het moderne intergroepsonderzoek. Vijftig jaar aan onderzoek op dit gebied laat zien hoe belangrijk en vergaand groepsinvloeden voor het gedrag van mensen kunnen zijn. En dat meer inzicht in dergelijke processen kan helpen bij het voorkomen en oplossen van intergroepsconflicten - bijvoorbeeld tussen wijkbewoners met verschillende culturele achtergronden.

Hoe Mensen Worden Beïnvloed door Hun Sociale Identiteit

Mensen zijn groepsdieren bij uitstek. Dit gaat zo ver dat de groepen waar we deel van uitmaken onderdeel zijn van onze identiteit, of zelfconcept (Tajfel, 1982). Er kan onderscheid gemaakt worden tussen iemands persoonlijke en iemands sociale identiteit. Een persoonlijke identiteit is gebaseerd op subjectief relevante, individuele kenmerken van een persoon, die samen iemands uniekheid vormen. Bijvoorbeeld, iemand kan zichzelf als een vrolijk iemand beschrijven. Een sociale identiteit wordt gevormd door de kennis over iemands lidmaatschap van sociale groepen en de kenmerken en de regels die door groepsleden gedeeld worden. Bijvoorbeeld, iemand kan zichzelf als een man, of een Groninger beschrijven. Of iemands, en welke, sociale identiteit in een situatie belangrijk is (saillant is), hangt af van de kenmerken in die situatie. Je sociale identiteit wordt namelijk saillant gemaakt op het moment dat je, op een directe of indirecte manier, herinnerd wordt aan het lidmaatschap van een bepaalde groep. Bijvoorbeeld door de aanwezigheid van leden van een andere groep - als enige vrouw aan de bestuurstafel of bij een buurman van een andere culturele afkomst. Of door geconfronteerd te worden met bepaalde symbolen die met een groep worden geassocieerd, bijvoorbeeld in een discussie over de Qur'an of de bouwplannen van een moskee of kerk (Marques, Yzerbyt, & Rijsman, 1988). In omgevingen waar men veel in contact komt met leden van andere groepen, zoals in cultureel diverse wijken, worden mensen dus vaak aan hun sociale identiteit herinnerd. Bij het aanpakken van problemen in cultureel diverse wijken is het daarom belangrijk om rekening te houden met de verschillende sociale identiteiten die bewoners kunnen hebben en de gevolgen daarvan.        

Doordat mensen hun zelfconcept voor een gedeelte baseren op de groepen waar ze lid van zijn, zijn sociale identiteiten van invloed op hoe mensen de wereld om zich heen waarnemen, en op hoe ze zich gedragen. We kunnen bijvoorbeeld emoties namens onze groep voelen die we als individu niet zouden voelen, omdat groepen onderdeel zijn van onze identiteit (Smith, 1993). Denk bijvoorbeeld aan de miljoenen Nederlanders die zich blij en trots voelden om Sven Kramer die zijn eerste gouden Olympische medaille - namens Nederland - won. 'Wij' hebben gewonnen. Of die een week later teleurgesteld zijn omdat Sven door een blunder op de tien kilometer zijn gouden medaille miste. Daarnaast hebben sociale identiteiten gevolgen voor hoe we naar anderen om ons heen kijken. Wanneer mensen zichzelf in een bepaalde situatie als lid van een bepaalde groep zien, hebben mensen de automatische neiging om ook anderen in groepen, of sociale categorieën, in te delen (Turner, Hogg, Oakes, Reicher, & Wetherell, 1987). Dit proces wordt sociale categorisatie genoemd. Hoewel er in onze westerse samenleving een grote nadruk op onze individuele identiteit gelegd wordt, laat meer dan 50 jaar aan onderzoek dus zien dat mensen zich niet altijd voornamelijk als individu gedragen (zie ook: Van Zomeren, 2008).

Een belangrijk gevolg van dit proces is dat de wereld uiteenvalt in groepen waar iemand zelf bij hoort ("wij") en de andere groepen, waar iemand niet zelf bij hoort ("zij") (Tajfel & Turner, 1979; Turner et al., 1987). Dit proces heeft gevolgen voor hoe we met anderen omgaan. Mensen reageren automatisch positiever op leden uit de groepen waar ze zelf onderdeel uit van maken dan op leden van andere groepen. Bijvoorbeeld, op het gebied van emoties hebben mensen automatisch een positiever gevoel over de eigen groep dan over andere groepen (Otten & Moskowitz 2000). Mensen hebben een beter geheugen voor positieve informatie over groepsleden uit de eigen groep dan groepsleden uit andere groepen (Howard & Rothbart, 1980). En gedragsmatig hebben mensen een grotere neiging om leden van de eigen groep te helpen dan leden van een andere groep (Dovidio et al., 1997). Mensen hebben dus een automatische neiging om zich positiever tegenover groepen waar ze zelf bij horen op te stellen dan tegenover groepen waar ze zelf geen deel van uit maken.

Deze gevolgen van wij-zij categorisatie zijn ook in de praktijk al vaak aangetoond. Bijvoorbeeld in de jaren zestig was er een lerares in de Verenigde Staten, Jane Elliott, die haar klas een les over de consequenties van discriminatie wilde geven. Bij wijze van praktijkexperiment deelde ze haar klas in twee groepen in: kinderen met blauwe ogen en kinderen met bruine ogen. De eerste dag vertelde ze haar klas dat de kinderen met blauwe ogen slimmer waren dan kinderen met bruine ogen. Dit schijnbaar willekeurige onderscheid was al voldoende om ervoor te zorgen dat de kinderen met blauwe ogen de kinderen met bruine ogen gingen onderdrukken. Een tweede voorbeeld is het Stanford gevangenis-experiment. In de jaren zeventig deed een sociaal psycholoog genaamd Zimbardo onderzoek naar de effecten van macht en onderdrukking. Hij deelde een groep jonge mannen willekeurig in of de rol van gevangene of die van bewaker in. De mannen die de rol van gevangene kregen toegewezen werden 'echt' opgepakt door de groep bewakers, moesten een gestreepte gevangenisoverall dragen en werden gedurende 2 weken opgesloten in een realistisch uitziend cellencomplex - tenminste dat was het plan. Het experiment moest namelijk na 6 dagen gestopt worden omdat het dreigde uit de hand te lopen. De deelnemers in de rol van bewaker begonnen zich al na een paar uur sadistisch te gedragen en de deelnemers in de rol van gevangene werden letterlijk depressief. Deze twee voorbeelden laten zien hoe gemakkelijk wij-zij categorisatie kan leiden tot situaties waarin mensen zich extreem negatief naar anderen kunnen opstellen, puur en alleen omdat ze niet bij de eigen groep horen.

Wij tegenover Zij in Wijken

Wij-zij categorisatie is een fundamenteel fenomeen waar mensen constant door beïnvloed worden. Niet verrassend hebben deze categorisatie processen tevens implicatie voor hoe bewoners van cultureel diverse wijken met elkaar omgaan. De incidenten in de Culemborgse wijk Terweijde zijn een voorbeeld van hoe deze processen een rol kunnen spelen bij de escalatie van een conflict tussen twee bewoners naar een conflict tussen twee gemeenschappen. In Terweijde escaleerde een 'gewoon' conflict tussen een bewoner met een Marokkaanse achtergrond en een bewoner met een Molukse achtergrond tot een conflict tussen de Molukse en Marokkaanse gemeenschappen in deze wijk. Doordat de individuele conflictpartijen hun sociale identiteit delen met de andere leden van hun gemeenschap, kan de gehele gemeenschap zich aangesproken voelen door een conflict waar ze persoonlijk weinig mee te maken hebben. Bovendien kunnen processen die ervoor zorgen dat mensen hun eigen groep als positiever zien dan andere groepen, ertoe leiden dat een dergelijk conflict gemakkelijk escaleert. Dit begint al bij de waarneming van een aanleiding van het conflict: doordat mensen de neiging hebben om informatie positiever voor de eigen groep te zien dan voor andere groepen, kan de - vaak onduidelijke - aanleiding eerder in het voordeel van de eigen dan van de andere groep uitgelegd worden. Ook zijn mensen geneigd zich minder constructief in een conflict met leden van een andere groep op te stellen. Daarnaast zijn mensen in een conflict minder snel bereid om concessies te doen als het om hun groep gaat dan als het om hen alleen gaat, omdat ze hun eigen groep niet zomaar willen afvallen (Insko et al., 1987).
        
Overigens hebben deze groepsprocessen ook in niet geëscaleerde conflictsituaties invloed op de leefbaarheid in wijken. Eén van de problemen in de 40 probleemwijken in Nederland is dat bewoners in deze wijken meer overlast van anderen ervaren dan bewoners in andere wijken. Ons eigen onderzoek laat zien dat de hoeveelheid overlast die bewoners in een burenconflict ervaren mede afhangt van hun beeldvorming over de culturele groep waar de veroorzaker van overlast toe behoort. Bewoners rapporteerden meer negatieve emoties, en hadden een grotere neiging om destructief te reageren in een conflict met een lid van een andere groep wanneer ze negatiever over de groep in het algemeen dachten (Ufkes, Otten, Giebels, & van der Zee, 2010a; Ufkes, Otten, Giebels, & van der Zee, 2010b). Om escalatie van conflicten tussen wijkbewoners te voorkomen, is het dus belangrijk om de negatieve gevolgen van deze categorisatieprocessen in wijken tegen te gaan. Dit kan door te voorkomen dat bewoners hun medewijkbewoners alleen zien als lid van een andere groep, of dat ze een negatief beeld hebben over andere groepen in hun wijk.
 

Sociale Conflicten in Wijken Voorkomen

In de 40 probleemwijken worden al veel projecten georganiseerd om segregatie en negatieve beelden tussen groepen bewoners tegen te gaan - bijvoorbeeld door bewoners van verschillende culturen met elkaar in contact te brengen. Echter, onderzoek laat zien dat dergelijke interventies niet altijd werken, en soms zelfs een averechts effect kunnen hebben. Bijvoorbeeld, in een studie naar de beeldvorming tussen studenten gedragswetenschappen en wiskunde werden de studenten juist negatiever over elkaar wanneer ze aan hun gezamenlijke identiteit - studenten - herinnerd werden, dan wanneer ze alleen aan hun subgroepidentiteit (student gedragswetenschappen of wiskunde) herinnerd werden (Hornsey & Hogg, 2000). Door de nadruk te leggen op de gezamenlijke identiteit in plaats van de subgroep identiteit kregen studenten het gevoel dat hun subgroep identiteit in gevaar kwam. Vervolgens zetten ze zich juist tegen de andere subgroep af om het belang van hun eigen subgroep identiteit te onderstrepen. Dergelijke interventies kunnen dus, als ze op een verkeerd moment of in een verkeerde vorm ingezet worden, zelfs tot negatievere relaties tussen bewoners die verschillen van culturele afkomst leiden. Om hier meer inzicht in te krijgen, is het belangrijk om eerst te bedenken waarom contact tussen leden van verschillende groepen tot positievere beeldvorming kan leiden.       

Eén van de verklaringen waarom contact met leden van een andere groep tot positievere beelden over die groep kan leiden is dat mensen op dat moment kunnen herdefiniëren wie er bij de eigen groep hoort (Gaertner & Dovidio, 2000). Sociale categorisatie is een dynamisch proces, mensen bezitten meerdere sociale identiteiten en kunnen zich op verschillende sociale categorieën richten. Deze sociale identiteiten kunnen meer of minder inclusief zijn. Een minder inclusieve sociale categorie'mannelijke onderzoeker uit Groningen' is specifiek en maar weinig mensen vallen binnen deze categorie, terwijl iedereen het idee kan hebben dat ze bij een meer inclusieve sociale categorie als 'de mensheid' kunnen horen. Bij een recatagorisatie-aanpak wordt geprobeerd om een meer inclusieve sociale identiteit te creëren of naar de voorgrond te halen, die overkoepelend is voor leden van verschillende subgroepen - en zodoende gedeeld kan worden. Bijvoorbeeld Europa als gedeelde identiteit voor inwoners van Duitsland en Nederland. Door in een interactie tussen Duitsers en Nederlanders de nadruk te leggen op het feit dat ze beide Europeaan zijn, kan worden bereikt dat deze mensen elkaar zien als lid van een dezelfde groep in plaats van twee verschillende groepen. Op deze manier worden groepsgrenzen hergedefinieerd, en verandert iemands perceptie van welke anderen bij de eigen groep horen (Dovidio, Gaertner, & Saguy, 2007). Dit heeft tot gevolg dat mensen minder negatieve verwachtingen ten opzichte van leden van een voormalige andere groep hebben. Daarnaast is een voordeel van deze benadering dat de positieve processen die met groeps identificatie samengaan, zoals onderlinge aantrekking, betrokkenheid en samenwerking naar andere leden van de groep toe, bewaard blijven. Veldstudies in scholen, organisaties, en landen laten consequent zien dat een herkenbare gedeelde identiteit leidt tot minder vooroordelen over en positiever gedrag richting andere groepen (zie voor een overzicht: Dovidio et al., 2008).

In ons eigen onderzoek hebben we gekeken naar de mogelijkheid om een wijkidentiteit als een gedeelde identiteit voor bewoners van verschillende culturele achtergronden te gebruiken. In twee onderzoeken onder wijkbewoners vonden we dat autochtone en allochtone bewoners die zich meer identificeerden met (betrokken voelden bij) de wijk positievere beelden over andere culturele groepen in hun wijk hadden (Ufkes, Otten, van der Zee, & Giebels, 2010c). Het lijkt er dus op dat de wijk als een gedeelde identiteit voor bewoners van verschillende culturele afkomst kan dienen, en zodoende een positief effect kan hebben op de beeldvorming en relaties tussen verschillende groepen.

Conclusie

 Het stimuleren van gedeelde identiteiten lijkt een waardevolle aanpak om de relaties tussen de verschillende culturele groepen in wijken te verbeteren, en de escalatie van conflicten tussen verschillende groepen bewoners te voorkomen. In Nederland worden er veel projecten binnen wijken georganiseerd die bij kunnen dragen aan het opbouwen van een gezamenlijke wijkidentiteit. Voorbeelden zijn de wijkbarbecues en wijkfeesten. Maar ook projecten waarbij bewoners met verschillende culturele achtergronden bij elkaar op de koffie komen, of projecten waarbij jongeren tot nadenken worden aangezet over de beeldvorming tussen hun eigen en andere groepen en de oorspong hiervan. Voor het slagen van dergelijke interventies is het belangrijk om na te denken over het moment en de precieze uitvoering. Een belangrijke voorwaarde is bijvoorbeeld dat de subgroepidentiteiten van alle betrokkenen niet door een nieuwe gezamenlijke identiteit bedreigd worden. Daarnaast kan het benadrukken van een gezamenlijke identiteit in situaties waarin er erg negatieve relaties tussen de subgroepen bestaan, tot weerstand leiden en zelfs averechtse gevolgen hebben (Crisp et al., 2006). Wanneer de relatie tussen leden van verschillende groepen erg negatief is, is het belangrijk om eerst deze relatie te verbeteren, en pas als dat gelukt is kan men aan een gezamenlijke identiteit gaan werken (Flache, 2008; Ufkes, Otten, van der Zee, & Giebels, 2009). Hoewel projecten die gezamenlijke identiteiten willen stimuleren dus kunnen voorkomen dat kleine ergernissen gemakkelijk escaleren tot grote intergroepsconflicten, zijn er in reeds geëscaleerde situaties, zoals in Terweijde, eerst andere interventies nodig die gericht zijn op het conflict zelf. Pas als de aanleiding van een dergelijk conflict helemaal opgelost is, en de relatie tussen de groepen hersteld is, kan er in zulke gevallen weer gewerkt worden aan een gezamenlijke identiteit.

 

Literatuuroverzicht

  • Culemborgse Courant (2009, 16 September). 'Gewone vechtpartij' ontaardt in etnisch conflict. Opgehaald, 8 Maart 2010, van http://www.culemborgsecourant.nl/index.php/page/Plaatsnamen/Culemborg/Ge...
  • Crisp, R. J., Stone, C. H. & Hall, N. R. (2006). Recategorization and subgroup identification: Predicting and preventing threats from common ingroups. Personality and Social Psychology Bulletin, 32, 230-242.
  • Dovidio, J. G., Gaertner, S. L. & Saguy, T. (2007). Another view of "We": Majority and minority group perspectives on a common ingroup identity. European Review of Social Psychology, 18, 296-331.
  • Dovidio, J. F., Gaertner, S. L., Validzic, A., Matoka, K., Johnson, B. & Frazier, S. (1997). Extending the benefits of re-categorization: Evaluations, self-disclosure and helping. Journal of Experimental Social Psychology, 33, 401-420.
  • Flache, A. & Mäs, M. (2008). How to get the timing right. A computational model of the effects of the timing of contacts on team cohesion in demographically diverse teams. Computational & Mathematical Organization Theory, 14, 23-51.
  • Gaertner, S. L. & Dovidio, J. F. (2000). Reducing Intergroup Bias: The Common Ingroup Identity Model. Philadelphia, PA: Psychology Press.
  • Hornsey, M.J. & Hogg, M.A. (2000). Subgroup relations: A comparison of mutual intergroup differentiation and common ingroup identity models of prejudice reduction. Personality and Social Psychology Bulletin, 26, 242-256.
  • Howard, J. W. & Rothbart, M. (1980). Social categorization and memory for in-group and out-group behavior. Journal of Personality and Social Psychology, 38, 301-310.
  • Insko, C. A., Pinkley, R. L., Harring, K., Holton, B., Hong, G. Y., Krams, D. S., Hoyle, R. H. & Thibaut, J. (1987). Beyond categorization to competition: Expectations of appropriate behavior. Representative Research in Social Psychology, 17, 5-36.
  • Marques, J. M., Yzerbyt, V. Y. & Rijsman, J. B. (1988). Context effects on intergroup discrimination: Ingroup bias as a function of the experimenter's provenance. British Journal of Social Psychology, 27, 301-318.
  • Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (2007). Integratie Nota 2007-2011: Zorg dat je erbij hoort! Opgehaald, 8 Maart 2010, van http://www.vrom.nl/pagina.html?id=2706&sp=2&dn=w1009
  • Otten, S. & Moskowitz, G. B. (2000). Evidence for implicit evaluative in-group bias: Affect-based spontaneous trait inference in a minimal group paradigm. Journal of Experimental Social Psychology, 36, 77-8.
  • Smith, E. R. (1993). Social identity and social emotions: Toward new conceptualizations of prejudice. In D. M. Mackie & D. L. Hamilton (Eds.), Affect, cognition, and stereotyping: Interactive processes in group perception (pp. 297-315). San Diego, CA: Academic Press.
  • Tajfel, H. (1982). Social psychology of intergroup relations. Annual Review of Psychology, 33, 1-39.
  • Tajfel, H. & Turner, J. C. (1986). The social identity theory of inter-group behavior. In S. Worchel and L. W. Austin (eds.),Psychology of Intergroup Relations. Chicago, IL: Nelson-Hall.
  • Turner, J. G., Hogg, M. A., Oakes, P. J., Reicher, S. D. & Wetherell, M. S. (1987). Rediscovering the social group: A self-categorization theory. Cambridge, MA: Basil Blackwell.
  • Ufkes, E.G., Otten, S., Van der Zee, K.I. & Giebels, E. (2010a). Neighborhood Conflicts: the Role of Social Categorization.Manuscript submitted for publication.
  • Ufkes, E.G., Otten, S., Van der Zee, K.I. & Giebels, E. (2010b). The Role of Stereotype Content and Intergroup Emotions in Conflicts. Manuscript submitted for publication.
  • Ufkes, E.G., Otten, S., Van der Zee, K.I. & Giebels, E. (2010c, Februari). Urban Districts as a Common Ingroup Identity for Majority and Minority Residents. Postersessie gepresenteerd op de jaarlijkse bijeenkomst van de Society for Personality and Social Psychology, Las Vegas, NV.
  • Ufkes, E.G., Otten, S., Van der Zee, K.I. & Giebels, E. (2009). Beeldvorming en Conflicten. In M.M. Koekkoek en A. Flache (Eds.),  Interventies voor een Leefbare wijk. Van Gorcum, Assen, Nederland.
  • Van Zomeren, M. (2008). Complementing individualism with the social identity approach: The illustrative case of individuals` moral conviction. In-Mind Magazine, 6 (online gepubliceerd op 13 Mei , 2008: http://www.in-mind.org/issue-6/complementing-individualism-with-the-soci...)
  • Wenzel, M., Mummendey, A. & Waldzus, S. (2008). Superordinate identities and intergroup conflict: The ingroup projection model. European Review of Social Psychology, 18, 331–372.

Auteur(s) van het artikel

Facebook