Ikke, ikke, ikke, dus de rest kan stikken?

 

Individuele vrijheid, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid lijken de trends van het moment. We willen zelf onze eigen keuzes maken, een uniek persoon zijn, en ons persoonlijk ontwikkelen. Critici stellen dat deze toenemende focus op ‘ik’ gelijk staat aan egoïsme en dat de solidariteit in de samenleving zal afbrokkelen. Hoe gegrond is deze angst? Staan individualiteit en solidariteit noodzakelijkerwijs tegenover elkaar, of is het mogelijk groepen te vormen waarin individualiteit en solidariteit samengaan?

 Afbeelding van Stockpic.com (http://stokpic.com/project/busy-train-station-with-business-people/)

De samenleving is de afgelopen decennia steeds individualistischer geworden (zie bijvoorbeeld SCP, 1998, voor de statistieken in Nederland over 25 jaar). We zijn individuele vrijheid, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid steeds meer gaan zien als ons (collectieve) ideaal. Tegelijkertijd lijkt de twijfel over deze trend toe te nemen. Want: in hoeverre kunnen we ons nog verbonden voelen met elkaar, als iedereen met zichzelf bezig is? In een samenleving die steeds individualistischer wordt, is er een toenemende angst dat de sociale cohesie verdwijnt: dat solidariteit afbrokkelt, gemeenschappen uiteen vallen en het collectieve belang naar de achtergrond verschuift (e.g. Putnam, 2000). Maar hoe gegrond is deze angst?

De onderliggende aanname is dat het individu en het collectief tegenover elkaar staan. Een samenleving is ofwel gericht op het individu en verdeeld of of gericht op het collectief en saamhorig. Een groep is ofwel heterogeen en conflictueus of homogeen en verbonden. Een individu is ofwel afwijkend en alleen of conformerend en hoort erbij. Met andere woorden, de aanname is dat een focus op het individu de solidariteit met het collectief ondermijnt en andersom, dat een sterk collectief de vrijheid van het individu bedreigt. Maar is deze aanname juist?

In onderzoek dat ik in samenwerking met Tom Postmes en Karen van der Zee heb uitgevoerd, laten we zien dat individualiteit en solidariteit elkaar niet hoeven uit te sluiten. In plaats van het individu en het collectief tegenover elkaar te plaatsen, onderzochten wij of het mogelijk is groepen te vormen waarbinnen individualiteit en solidariteit samengaan.

 

De relatie tussen het individu en de groep

De aanname dat het individu en de groep tegenover elkaar staan, vinden we terug in de sociale wetenschappen. Binnen de sociale psychologie is dit idee onder meer te vinden in de sociale identiteitsbenadering (Tajfel & Turner, 1979; Turner, Hogg, Oakes, Reicher, & Wetherell, 1987). Deze benadering gaat ervan uit dat individuen een deel van hun identiteit (hun sociale identiteit) ontlenen aan hun groepslidmaatschap(pen). Mensen vormen een gedeelde sociale identiteit op basis van wat zij gemeenschappelijk hebben en wat hen anders maakt dan andere groepen (bijvoorbeeld ‘wij’ Nederlanders vs. ‘zij’ Duitsers). Groepen kunnen dit ook nog extra benadrukken; zo dragen leden van studentencorpsen dezelfde onderscheidende kleding met hun corpsnaam. Dit proces van sociale identiteitsvorming wordt ook wel deductieve sociale identiteitsvorming genoemd en suggereert dat identiteit voornamelijk voortkomt uit categorisatie. Mensen zijn meer geneigd zich te definiëren in groepstermen en te handelen in het belang van de groep, als groepsleden meer op elkaar lijken en duidelijker te onderscheiden zijn van andere groepen. Hoe meer de nadruk dus ligt op het unieke individu, hoe lastiger het is de groep in ogenschouw te nemen. Tegelijkertijd zijn we op het moment dat we iemand zien als groepslid, geneigd om de unieke kenmerken van het individu naar de achtergrond te schuiven. Hoe meer we onszelf dus definiëren in termen van de groep, hoe minder we onszelf zullen zien als uniek individu. Hiermee impliceert de sociale identiteitsbenadering een tegenstelling tussen individu en groep. Het suggereert dat als we het individu benadrukken, de groep en het collectieve belang naar de achtergrond schuiven.

Maar wordt een gedeelde groepsidentiteit alleen deductief gevormd op basis van wat ons als groep onderscheidt van andere groepen? Recente literatuur suggereert dat in kleine groepen ook de dynamiek tussen groepsleden een belangrijke rol speelt bij de vorming van een gedeelde groepsidentiteit (Postmes, Haslam, & Swaab, 2005) en het ontstaan van een gedeeld gevoel van tevredenheid en solidariteit met de groep (Jans, Leach, Garcia, & Postmes, 2015). In kleine groepen wordt wie ‘wij’ zijn niet enkel bepaald door wat ‘ons’ anders maakt van ‘hen’, maar ook door wat de verschillende leden van de groep inbrengen. Zo wordt de identiteit van een voetbalteam niet alleen bepaald door de mate waarin het team (en het teamshirt) verschilt van een ander team, maar ook door de interacties tussen de individuele spelers en de unieke bijdrage die elk teamlid levert. Een gedeelde groepsidentiteit kan dus ook afgeleid worden uit de bijdragen van individuele leden. Dit proces van sociale identiteitsvorming wordt inductieve sociale identiteitsvorming genoemd en impliceert door het belang van interactie, in plaats van categorisatie, niet per se een tegenstelling tussen individu en groep.

Waar bij deductieve processen individualiteit de vorming van een gedeelde identiteit in de weg staat, staan inductieve processen mogelijk meer individualiteit toe en hebben mogelijk zelfs individualiteit nodig. Zo schuilt de kracht van een multidisciplinair team juist in de verschillende achtergronden die de verschillende teamleden inbrengen en hebben in een dorpsgemeenschap de bakker, de slager en zelfs de dorpsgek een unieke functie voor het dorp. Wij onderzochten in hoeverre dergelijke inductieve processen een rol spelen in verschillende groepen en of via deze weg het individu en de groep elkaar wederzijds kunnen versterken. Wij lieten zien dat bij inductieve sociale identiteitsvorming (1) de uniekheid van het individu verbondenheid met een groep niet in de weg staat, (2) diversiteit de eenheid niet belemmert, en (3) sociale identiteit de uiting van individualiteit niet remt. Individualiteit en solidariteit sluiten elkaar dus niet noodzakelijkerwijs uit en kunnen elkaar zelfs versterken.

 

 

Individualiteit en verbondenheid

Er wordt vaak aangenomen dat hoe meer iemand zich bewust is van zijn of haar individualiteit, hoe minder hij/zij zich verbonden zal voelen met een groep. Dit is ook wat je op basis van een deductief proces van sociale identiteitsvorming zou kunnen verwachten. In drie studies onderzochten wij of jezelf zien als uniek en anders dan andere groepsleden juist een onderliggend proces is bij inductieve sociale identiteitsvorming (Jans, Postmes, & van der Zee, 2011).

Deelnemers aan dit onderzoek vulden een vragenlijst in over verschillende soorten groepen. We vroegen ze in welke mate individuele groepsleden invloed hadden op de groep (inductieve sociale identiteitsvorming), zij zich uniek voelden in de groep, zij de groep zagen als een eenheid en zich identificeerden met de groep (e.g. Ik voel mij verbonden met deze groep). De studies verschilden in het type groep waarover deelnemers vragen beantwoordden. In de eerste studie vroegen we deelnemers na te denken over kleine groepen (4-15 personen) die zij zelf belangrijk vonden. Deelnemers noemden bijvoorbeeld hun vriendengroep, hun sportteam of hun familie. In een tweede studie vroegen we ze de vragen te beantwoorden voor een brede selectie aan groepen variërend van kleine interactieve groepen tot grote sociale categorieën (werkgroepen, buren, studenten, Nederlanders en mensen van hetzelfde geslacht). In een laatste studie vroegen we deelnemers na te denken over groepen van verschillende groottes (van kleine groepen tot groepen met meer dan 200 leden). In al deze groepen vonden we ondersteuning voor het idee dat hoe meer individuen de groep zien als inductief gevormd, hoe meer zij zichzelf zien als uniek en anders dan andere groepsleden. Dit was vervolgens gerelateerd aan het waarnemen van meer groepseenheid en meer groeps identificatie. Ondanks dat in grotere groepen (zoals Nederlanders en studenten) de invloed van individuele leden minder zichtbaar was, bleek ook in groepen van boven de 200 personen de waarneming van individualiteit een onderliggend proces van inductieve sociale identiteitsvorming. Door de zichtbaarheid van de individuele bijdragen aan de groep, kunnen groepsleden dus hun individualiteit in overeenstemming brengen met hun groepslidmaatschap.

Deze studies gezamenlijk bieden eerste bewijs dat inductieve processen een rol spelen bij de vorming van sociale identiteit in allerlei groepen, en dat individualiteit en solidariteit elkaar niet hoeven uit te sluiten. Ook als individuen erg gefocust zijn op zichzelf en hun eigen uniekheid, kunnen zij zich nog steeds verbonden voelen met een groep. Ikke, ikke, ikke en de rest kan stikken, lijkt dus niet op te gaan.

 

Diversiteit en eenheid

Dat mensen gefocust kunnen zijn op hun individualiteit en zich tegelijkertijd verbonden kunnen voelen met een groep hoeft nog niet direct te betekenen dat een groep unieke individuen samen een sterke gedeelde groepsidentiteit kan vormen. Er wordt vaak aangenomen dat diversiteit leidt tot minder eenheid in de groep. Dit is ook wat je op basis van een deductief proces van sociale identiteitsvorming zou kunnen verwachten. In een tweede set studies onderzochten we of individuen in kleine groepen inductief een gedeelde identiteit kunnen vormen en of via deze weg individuele verschillen de eenheid van de groep niet in de weg staan (Jans, Postmes, & van der Zee, 2012).

In een eerste experimentele studie manipuleerden we of vier groepsleden een sociale identiteit via een deductief of een inductief proces vormden. Bij deductieve sociale identiteitsvorming kregen groepen een design voor een teamshirt, waarbij werd verteld dat deze anders was dan die voor andere groepen. Het teamshirt zorgde dus voor een duidelijk onderscheid van andere groepen. Bij inductieve sociale identiteitsvorming werd individuele groepsleden gevraagd elk een deel van het teamshirt te ontwerpen. Groepsleden leverden dus een eigen bijdrage aan het teamshirt. In een tweede studie manipuleerden wij ook of de groep als homogeen of heterogeen wordt gezien door groepsleden te vertellen dat hun persoonlijkheid erg op elkaar leek of juist erg van elkaar verschilden. Als indicatoren van sociale identiteit maten we in een vragenlijst de waargenomen eenheid in de groep, de mate van identificatie met de groep en de bereidheid tot samenwerking.

De twee studies toonden aan dat een gedeelde groepsidentiteit inductief gevormd kan worden uit de bijdragen van individuele leden. Door een unieke bijdrage te leveren aan het teamshirt konden leden van heterogene groepen een sterke gedeelde identiteit vormen. Deze identiteit was net zo sterk (in termen van identificatie, gevoel van eenheid, en bereidheid tot samenwerking) als de identiteit die leden van homogene groepen vormden door het dragen van hetzelfde unieke teamshirt.

Deze studies laten zien dat niet alleen het individu zichzelf kan zien als uniek en verbonden met een groep, maar dat een groep unieke individuen ook hun individualiteit kan samenbrengen in een sterk verbonden groep. Individualiteit en solidariteit kunnen dus niet alleen samengaan; maar ook elkaar versterken, als groepsleden een bijdrage leveren aan waar de groep voor staat.

 

Groepsidentiteit en de uiting van individualiteit

Dat individualiteit onder bepaalde condities de groep kan versterken, geeft nog geen inzicht in of dit andersom ook geldt. Kan de groep, onder bepaalde condities, individualiteit versterken? Er wordt vaak aangenomen dat verbondenheid met een groep leidt tot conformiteit; groepsleden gedragen zich in lijn met groeps normen en zijn minder geneigd hun individualiteit te tonen (In het extreme: teveel nadruk op het collectief, belemmert de individuele vrijheid). In een derde set studies onderzochten wij of groepsleden tegen de groepsnorm in kunnen gaan, als in heterogene groepen de sociale identiteit inductief gevormd wordt (Jans, Postmes, Van der Zee, & Seewald, 2013).

In twee studies manipuleerden wij op een soortgelijke manier als in de eerdere studies de manier van sociale identiteitsvorming en de waargenomen diversiteit binnen de groep. In deze studies was de groep echter niet ‘echt’; we lieten proefpersonen geloven dat ze in contact waren met andere groepsleden via een chatroom op de computer. Daarnaast werd sociale identiteitsvorming gemanipuleerd door het creëren van een groepslogo op het beeldscherm, in plaats van een teamshirt. Vervolgens vroegen we proefpersonen hoe ze dachten over een bepaalde maatregel. De maatregel waarover het ging verschilde tussen de twee studies: het invoeren van een langstudeer-boete of het verplicht Nederlands leren voor Duitse studenten. We lieten deelnemers geloven dat de andere groepsleden hetzelfde dachten over de maatregel. Op deze manier ontstond er een duidelijke groepsnorm over de opinie ten aanzien van deze maatregel. Daarna werd proefpersonen gevraagd zoveel mogelijk (voor- en tegen-) argumenten voor de maatregel te bedenken die ze daarna met de andere groepsleden zouden bespreken. Voor heterogene groepen resulteerde inductieve sociale identiteitsvorming in meer verbondenheid met de groep en meer argumenten die tegen de groepsnorm ingingen dan deductieve sociale identiteitsvorming. In het algemeen leek een sterkere groepsidentiteit samen te gaan met het uiten van meer individualiteit door tegen de norm in te gaan.

Deze studies gezamenlijk suggereren dat verbondenheid met de groep het uiten van individualiteit niet hoeft te belemmeren. Onder bepaalde condities kan individualiteit solidariteit versterken en kan solidariteit de expressie van individualiteit stimuleren. Een sterke verbondenheid met de groep staat de individuele vrijheid dus niet noodzakelijkerwijs in de weg.

 

Conclusie

In een samenleving die steeds individualistischer wordt, is er een toenemende angst dat solidariteit vermindert en gemeenschappen uiteen vallen. Dit onderzoek laat zien dat deze angst niet per se gegrond is en dat het individu en het collectief niet per se tegenstrijdig hoeven te zijn: Mensen kunnen zichzelf zien en gedragen als uniek individu en zich tegelijkertijd verbonden voelen met de groep. De relatie tussen het individu en de groep lijkt af te hangen van de manier waarop een gedeelde groepsidentiteit gevormd wordt.

Aan de ene kant bevestigt mijn onderzoek het veronderstelde conflict tussen individualiteit en solidariteit. Individualiteit en diversiteit belemmeren de solidariteit in groepen die gevormd worden via een proces van categorisatie op basis van wat groepsleden gemeenschappelijk hebben en wat hun onderscheidt van anderen. Dit kan verklaren waarom met de individualisering van de samenleving, het lidmaatschap aan traditionele instituties met duidelijke voorschriften (zoals kerken, vakbonden, en politieke partijen)  afneemt, in Nederland (De Beer & Koster, 2009).

Aan de andere kant laat mijn onderzoek zien dat solidariteit met een groep niet alleen voortkomt uit gelijkheid. Groepen zijn complexe entiteiten en de interacties binnen een groep en de bijdragen die groepsleden daarmee leveren spelen ook een belangrijke rol. Mijn onderzoek laat zien dat individualiteit en solidariteit elkaar wederzijds kunnen versterken als een gedeelde identiteit gevormd wordt van onderaf, uit de individuele bijdragen van groepsleden. Via deze route kunnen individualiteit en sterke verbondenheid samengaan net als waargenomen diversiteit en eenheid. Dit suggereert dat de hedendaagse focus op het individu niet het einde van solidariteit in de samenleving hoeft te betekenen.

De hedendaagse samenleving vraagt mogelijk om andere soorten groepen en gemeenschappen die meer ruimte bieden voor de unieke inbreng van het individu. Een voorbeeld hiervan is de opkomst van lokale van onderaf-gevormde initiatieven waarin individuen een actieve bijdrage leveren, zoals het gezamenlijk onderhouden van een gemeenschappelijke tuin, het opzetten van een energiecollectief of het samen opzetten van een crèche met andere ouders. Door de eigen inbreng die mensen leveren kunnen dergelijke initiatieven mogelijk de gemeenschapszin versterken met behoud van individualiteit. Paradoxaal genoeg kan in een samenleving die in een toenemende mate gericht is op het individu, dergelijke solidariteit toenemen. Dit vraagt mogelijk om een minder sturende rol van de overheid en traditionele instituties, en meer ruimte voor het individu om eigen keuzes te maken.

 

Referentielijst

 

  • De Beer, P., & Koster, F. (2009). Sticking Together or Falling Apart: Solidarity in an Era of Individualization and Globalization. Amsterdam University Press.
  • Jans, L., Leach, C. W., Garcia, R. L., & Postmes, T. (2015). The development of group influence on in-group identification: A multilevel approach. Group Processes & Intergroup Relations18(2), 190-209.
  • Jans, L., Postmes, T., & Van der Zee, K. I. (2011). The induction of shared identity: The positive role of individual distinctiveness for groups. Personality and Social Psychology Bulletin, 37, 1130-1141. doi:10.1177/0146167211407342.
  • Jans, L., Postmes, T., & Van der Zee, K. I. (2012). Sharing differences: The inductive route to social identity formation. Journal of Experimental Social Psychology, 48(5), 1145-1149. doi:10.1016/j.jesp.2012.04.013
  • Jans, L., Postmes, T., Van der Zee, K. I., & Seewald, D. (2013). Social identity formation and the display of individual distinctiveness (Unpublished Manuscript). Jans, L. (2013). Reconciling individuality with social solidarity: forming social identity from the bottom up (pp. 93-124). Doctoral dissertation, University of Groningen.
  • Postmes, T., Haslam, S., & Swaab, R. I. (2005a). Social influence in small groups: An interactive model of social identity formation. European Review of Social Psychology, 16, 1-42. doi:10.1080/10463280440000062
  • Putnam, R. (2000). Bowling alone: The collapse and revival of American community. New York: Simon & Schuster.
  • Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP)(1998). Sociaal en Cultureel Rapport 1998: 25 jaar sociale verandering. Rijswijk/Den Haag: SCP/Elsevier.
  • Tajfel, H. & Turner, J. (1979). An integrative theory of intergroup conflict. In W. G. Austin, & S. Worchel (Eds.), The social psychology of intergroup relations (pp. 33-47). Monterey, CA: Brooks/Cole.
  • Turner, J. C., Hogg, M. A., Oakes, P. J., Reicher, S., & Wetherell, M. S. (1987). Rediscovering the social group: A self-categorization theory. Oxford, UK: Basil Blackwell.

 

 

 

 

Auteur(s) van het artikel

Facebook