Negatief reageren op het morele gedrag van anderen

Iedereen kent ze wel, die zeurderige types die zo met hun morele gedrag te koop lopen. Zoals bijvoorbeeld vegetariërs die te pas en te onpas verklaren hoe fout het is om vlees te eten, of mensen die geen alcohol willen drinken omdat ze dat niet oké vinden. Waarom zijn deze mensen eigenlijk zo vervelend? Ligt dat inderdaad aan hun prekerige houding en vervelende gedrag? Of heeft het misschien met onszelf te maken? Antwoorden zijn wellicht anders dan gedacht (of gehoopt).

We kennen allemaal wel van die ‘supermensen’. Denk aan een buurman die elke ochtend 5 km hardloopt; een collega die nooit alcohol drinkt op borrels, een moeder op de crèche die haar kinderen elke dag verantwoord en gezond eten voorzet (het liefst van zelfgekweekte groentes), een vriendin die geen vlees eet omdat ze dat immoreel vindt, een kennis die naast een fulltime baan ook nog eens regelmatig vrijwilligerswerk doet, en ga zo maar door. Alhoewel er op hun gedrag niets lijkt aan te merken, vinden sommigen dit soort types soms behoorlijk irritant. Uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat mensen regelmatig vervelend reageren op het morele gedrag van anderen (bijv. Minson & Monin, 2012; Monin, 2007; Parks & Stone, 2010). Zo lieten de studies van Monin, Sawyer, en Marquez (2008) bijvoorbeeld zien dat mensen negatief reageren op anderen die weigeren deel te nemen aan een racistische taak. Opvallend hierbij is dat alleen mensen die zelf wél de racistische taak hadden uitgevoerd een hekel hadden aan zo’n morele weigeraar die niet mee wilde doen. Mensen die zelf niet hadden meegedaan aan de racistische taak hadden juist bewondering voor de morele weigeraar.

Waarom vinden we deze mensen eigenlijk zo vervelend? Ligt dat inderdaad aan hun prekerige houding en vervelende gedrag? Of heeft het misschien met onszelf te maken? In mijn onderzoek ben ik op zoek gegaan naar antwoorden op dit soort vragen, en de uitkomsten daarvan zijn misschien net wat anders dan gedacht (of gehoopt).

Het belang van moraliteit

Moraliteit gaat over wat wij ‘goed’ en ‘fout’ vinden; moreel gedrag is dus gedrag dat ‘ethisch verantwoord’ of ‘goed’ is. Over het algemeen vinden mensen moraliteit heel belangrijk (Aquino & Reed, 2002). Sterker nog, we beoordelen mensen vooral op hun morele karakter en willen niet veel te maken hebben met mensen die in onze ogen niet moreel zijn (Skitka, 2010). Je zou dus verwachten dat mensen heel positief reageren op het morele gedrag van anderen. Er is inderdaad onderzoek waaruit dit blijkt (bijv. Aquino, McFerran, & Laven, 2011; Silvers & Haidt, 2008). Schnall en collega’s (2010) lieten bijvoorbeeld zien dat mensen die iemand anders een goede daad zagen verrichten zelf ook meer geneigd waren iets goeds te doen. Bijvoorbeeld de onderzoekers te helpen door onbetaald extra taken te verrichten.

Als we moraliteit zo belangrijk vinden, waarom reageren we dan soms negatief op het morele gedrag van anderen? Een mogelijke reden is dat het morele gedrag van anderen bedreigend kan zijn voor het morele zelfbeeld van mensen. Het is belangrijk voor ons om zowel in onze eigen ogen als in de ogen van anderen een goed en moreel mens te zijn (Cohen & Sherman, 2014; Effron, 2014; Schaumberg & Wiltermuth, 2014). Maar ‘moreel zijn’ is best een lastige opgave, omdat het niet altijd even duidelijk is wat ‘moreel’ precies is. Wanneer ben je eigenlijk een goed mens? Hoe kun je dat bepalen?

Morele dreiging

In dit soort gevallen vergelijken mensen zichzelf vaak met anderen. De uitkomst van dit soort sociale vergelijkingen worden dan gebruikt om te evalueren hoe goed ze het zelf doen (bijv., Monin, 2007). Als je jezelf vergelijkt met iemand die zich moreler heeft gedragen dan jij dan kan dat ertoe leiden dat het beeld van jezelf als moreel persoon bedreigd wordt (Monin, 2007). Deze dreiging is onplezierig. Een manier om met zo’n bedreiging van het morele zelfbeeld om te gaan is door de bron van de dreiging af te kraken (bijv. Cohen & Sherman, 2014; Sherman & Cohen, 2006). Dit zou dus kunnen verklaren waarom mensen zo negatief kunnen reageren op morele weigeraars die weigeren mee te gaan in ‘immoreel’ gedrag.

Is het inderdaad het geval dat mensen zich bedreigd voelen als ze in aanraking komen met zo’n morele weigeraar? Om dit te onderzoeken hebben mijn collega’s en ik een experiment uitgevoerd waarbij we hebben gemeten hoe bedreigd mensen zich voelden door een morele weigeraar (Cramwinckel, van Dijk, Scheepers, & van den Bos, 2013). In dit onderzoek werden deelnemers gevraagd om een plakje worst en een plakje komkommer te proeven. Na afloop kregen mensen de voorgeprogrammeerde reactie te lezen van iemand anders die had geweigerd om het stukje worst te proeven. Deze persoon had ofwel morele redenen om dit te weigeren (‘vlees eten is immoreel’) ofwel niet-morele reden (‘vlees eten is niet lekker’).

Na het lezen van deze reactie vroegen we deelnemers om een speech te geven aan deze weigeraar over hun eigen eetgewoontes. Deze speech werd opgenomen op camera en deelnemers dachten dat deze speech naar de weigeraar zou worden opgestuurd. In realiteit werd de speech niet echt opgestuurd (de weigeraar was immers voorgeprogrammeerd). Tijdens het geven van de speech werden lichamelijke reacties van participanten gemeten, zoals bloeddruk, hartslag en de geleiding van de huid. Deze lichamelijke reacties zijn een indicator van zogenaamde ‘arousal’ en hebben wij in deze studie geïnterpreteerd als de mate waarin deelnemers zich bedreigd voelden in hun morele zelfbeeld tijdens het geven van de speech (e.g., Blascovich & Mendes, 2010). En wat bleek? De lichamelijke reacties suggereerden inderdaad dat deelnemers zich meer bedreigd voelden als ze een speech moesten geven voor een morele weigeraar dan als ze een speech moesten geven voor een niet-morele weigeraar. Naast deze lichamelijke reacties hadden de deelnemers ook een negatiever oordeel over deze morele weigeraar. Ze vonden de morele weigeraar bijvoorbeeld minder aardig en vervelender dan de niet-morele weigeraar.

Belangrijk is dat dit onderzoek liet zien dat die dreiging en negatieve reactie kwam door de morele reden die de weigeraar had, en niet door zijn/haar weigering alleen. Blijkbaar is afwijkend gedrag (namelijk het niet willen meedoen) niet in alle gevallen bedreigend.

Voorkomen van negatieve reacties

Zijn er manieren om deze negatieve reacties te voorkomen of te verminderen? In vervolgonderzoek zijn we wat dieper ingegaan op deze vraag. In een tweede studie (Cramwinckel et al., 2013) hebben we deelnemers wederom gevraagd om een stukje worst en komkommer te proeven. Na afloop kregen zij weer dezelfde (voorgeprogrammeerde) reactie van een morele of niet-morele weigeraar te lezen. Maar in deze studie hadden we nog een stap toegevoegd: de helft van de deelnemers lieten we voorafgaand aan het lezen van de reactie van de weigeraar hun handen reinigen met antibacteriële reinigingsgel, en de andere helft van de deelnemers deed dit niet. Ook vroegen we na afloop aan de deelnemers om niet alleen de weigeraar te beoordelen, maar ook zichzelf. Dit deden we door vragen te stellen zoals “in hoeverre ben je nu teleurgesteld in jezelf?” of “in hoeverre ben je nu blij met jezelf?”.

Uit de resultaten bleek dat de deelnemers die hun handen niet hadden gewassen negatiever dachten over de morele weigeraar dan over de niet-morele weigeraar. Ook waren deelnemers negatiever over zichzelf als ze met een morele weigeraar waren geconfronteerd. Maar als mensen eerst hun handen hadden gewassen dan waren deze verschillen er niet: in dat geval reageerden mensen even positief op een morele weigeraar als op een niet-morele weigeraar. Ook waren ze even positief over zichzelf.

Hoe kan het dat het reinigen van je handen helpt om minder negatief te reageren op morele weigeraars? Er zijn twee redenen waarom dit zo zou kunnen zijn. De eerste reden is dat mensen moeilijke abstracte begrippen koppelen aan concrete concepten (Landau, Meier, & Keefer). In het geval van moraliteit betekent dit dat het moeilijke begrip ‘moraliteit’ is gekoppeld aan een concreter concept van ‘reinheid’. Deze koppeling kun je bijvoorbeeld ook terugzien in taal. Als iemand iets doet wat niet door de beugel kan dan noemen we dat een ‘vuile streek’. Als morele misstappen openbaar worden gemaakt dan wordt ‘de vuile was buiten gehangen’. Deze koppeling is zelfs zo sterk, dat je het abstracte begrip (moraliteit) kunt beïnvloeden door het concrete concept (reinheid) aan te passen. Dus als je jezelf reinigt, bijvoorbeeld door je handen te wassen of te douchen, dan voel je je ook gelijk moreler (bijv. Zhong & Liljenquist, 2006). En als jij je moreler voelt dan kun je ook beter omgaan met de bedreiging van je moraliteit door een morele weigeraar.

Een tweede reden is dat het reinigen van je handen ervoor kan zorgen dat je je eerdere gedrag van ‘je af wast’ (bijv. Lee & Schwarz, 2010; 2011). Dit betekent dat je met het wassen van je handen niet alleen het vet van het stukje worst wegwast, maar bijvoorbeeld ook psychologische restjes van dit gedrag, zoals eventueel schuldgevoel. Ook dit zou kunnen verklaren waarom mensen positiever reageren op een morele weigeraar nadat ze hun handen hebben gewassen; ze voelen zich dan minder ‘verbonden’ met hun eigen eerdere gedrag.

Ons onderzoek heeft een aantal belangrijke dingen aangetoond: ten eerste werd het duidelijk dat mensen zich inderdaad bedreigd voelen door anderen die een moreel standpunt innemen en dat die dreiging zichtbaar is op een lichamelijk niveau dat mensen niet bewust kunnen beïnvloeden. Ten tweede, een confrontatie met een morele weigeraar leidt tot negatieve reacties. Mensen hebben een negatiever zelfbeeld en een negatiever beeld van de weigeraar als ze worden geconfronteerd met een morele weigeraar in plaats van een niet-morele weigeraar. Ten derde laat dit onderzoek zien dat het mogelijk is om deze negatieve reacties te verminderen voorkomen met een vrij simpele handeling: het reinigen van de handen.

Waardering voor morele weigeraars

Het voorkomen van negatieve reacties is slechts een eerste stap. Het zou wellicht nog mooier zijn als mensen expliciet waardering kunnen opbrengen voor morele weigeraars. Morele weigeraars zijn immers mensen die proberen de wereld te verbeteren voor ons allemaal, bijvoorbeeld door het tegengaan van racisme, ongelijkheid, enzovoorts (Bashir et al., 2013). In welke gevallen kunnen we waardering opbrengen voor het morele karakter dat zij tonen?

Een situatie waarin morele weigeraars wel worden gewaardeerd is als de mensen die hen beoordelen buitenstaanders zijn die zelf geen ‘immoreel’ gedrag hebben vertoond. Dit blijkt bijvoorbeeld uit het onderzoek van Monin en collega’s (2008) en uit ons eigen onderzoek (Cramwinckel, van den Bos, & van Dijk, 2016). Maar mensen gedragen zich nou eenmaal niet altijd in elke situatie moreel en zijn dus ook lang niet altijd échte buitenstaanders. Als je bijvoorbeeld op een bepaalde dag ‘morele’ keuzes maakt (je kiest een vegetarisch broodje uit voor de lunch), dan betekent dat niet dat je dat altijd en overal doet of hebt gedaan (gisteren at je bijvoorbeeld een broodje kroket). Het lijkt daarom belangrijk om op zoek te gaan naar een manier waarop mensen toch waardering kunnen opbrengen voor een morele weigeraar, ondanks dat ze bepaald moreel bezwaarlijk gedrag wél zelf hebben uitgevoerd.

Bijvoorbeeld, wanneer mensen gedrag vertonen wat overduidelijk tegen hun eigen morele waarden ingaat. In het hierboven beschreven worst-onderzoek ging het om gedrag waarvan de deelnemers niet doorhadden dat het mogelijk moreel bezwaarlijk zou kunnen zijn. Een plakje worst eten is immers in de ogen van de meeste mensen onschuldig. Pas als je de reactie van iemand anders te lezen krijgt realiseer je je dat—in jouw ogen onschuldige—gedrag als immoreel zou kunnen zien. Geen wonder dat je dan wilt uithalen naar diegene die je met de neus op de feiten drukt—de morele weigeraar.

Maar stel je nou voor dat je zelf wel weet dat jouw gedrag eigenlijk niet oké was. In zo’n situatie kun je misschien wél waardering opbrengen voor iemand die zo sterk was om ‘nee’ te zeggen. Deze situatie hebben collega’s en ik in drie verschillende studies onderzocht (Cramwinckel et al., 2016). Studenten deden mee aan een schrijftaak waarbij ze een anti-homo betoog moesten schrijven. Voor de meeste studenten ging dit tegen hun morele waarden in aangezien studenten over het algemeen behoorlijk positief tegenover homoseksualiteit en homorechten stonden. Ze waren het dan ook inhoudelijk niet met de opdracht eens. Maar ondanks dat deden ze vrijwel allemaal mee aan de opdracht en schreven een anti-homo betoog wanneer ze dat gevraagd werd. Na afloop kregen ze het voorgeprogrammeerde betoog van een zogenaamde andere deelnemer te lezen. Dit was de reactie van een morele weigeraar of van een controle conditie. Eén van de belangrijkste bevindingen van deze lijn van onderzoeken is dat de deelnemers positieve reacties hadden op de morele weigeraar. Deelnemers vonden deze morele weigeraar dus aardiger, slimmer, beter en moreler dan verscheidene controle condities (bijvoorbeeld de reactie van iemand die ook had geweigerd om het anti-homo betoog te schrijven, maar een niet-morele reden hiervoor had, namelijk een blessure aan zijn/haar hand wat typen moeilijk maakte). Dit betekent overigens niet dat het zelfbeeld van mensen in deze situatie niet bedreigd werd. De studenten dachten namelijk wel negatiever over zichzelf als ze zo’n anti-homo betoog hadden geschreven en werden geconfronteerd met een morele weigeraar.

Conclusie

Wat kunnen we leren van deze onderzoeken en wat hebben we hier aan in de praktijk? Ten eerste begrijpen we nu beter waarom we negatieve reacties kunnen hebben op het morele gedrag van anderen. Ons eigen gedrag steekt soms maar bleek af bij het morele gedrag van iemand anders en dat vinden we heel vervelend. De andere kant van de medaille is overigens dat het wellicht mogelijk is om morele keuzes uit te leggen op een manier die niet bedreigend is voor anderen. Misschien kunnen morele weigeraars daarmee negatieve reacties voorkomen. Het geven van een niet-morele reden (bijvoorbeeld persoonlijke voorkeur) om vegetarisch te eten, niet te drinken of duurzame producten te kopen zorgt wellicht voor minder scheve gezichten. Dit is overigens een zeer pragmatische visie op deze kwestie. In een ideale wereld zouden mensen hun morele keuzes niet hoeven af te zwakken of te verbergen uit angst voor negatieve reacties. In zo’n wereld zouden we wellicht juist allemaal moeten leren om ons niet bedreigd (maar misschien juist geïnspireerd) te voelen door morele weigeraars. Het zou dan ook nog mooier zijn als we oplossingen zouden vinden om negatieve reacties te verminderen zonder dat morele weigeraars hun gedrag hoeven aan te passen.

Gelukkig zijn er ook situaties waarin we wél waardering opbrengen voor anderen die een moreel standpunt innemen. Een essentieel element lijkt echter te zijn dat mensen zich de morele consequenties van hun eigen gedrag moeten realiseren voordat ze met de moraliteit van een ander worden geconfronteerd. Een voorzichtige conclusie is misschien dat de uitdaging dus ligt in het bewust worden van het eigen morele handelen. Moraliteit is namelijk belangrijk voor veel ogenschijnlijk kleine beslissingen in ons dagelijks leven, zoals wat je eet en drinkt.

Referenties

Aquino, K., McFerran, B., & Laven, M. (2011). Moral identity and the experience of moral elevation in response to acts of uncommon goodness. Journal of Personality and Social Psychology, 100(4), 703-718.

Aquino, K., & Reed, A. (2002). The self-importance of moral identity. Journal of Personality and Social Psychology, 83(6), 1423-1440. doi:10.1037//0022-3514.83.6.1423

Bashir, N. Y., Lockwood, P., Chasteen, A. L., Nadolny, D., & Noyes, I. (2013). The ironic impact of activists: Negative stereotypes reduce social change influence. European Journal of Social Psychology, 43(7), 614-626. doi: 10.1002/ejsp.1983

Blascovich, J., & Mendes, W. B. (2010). Social psychophysiology and embodiment. In S. T. Fiske, D. T. Gilbert, & G. Lindzey (Eds.), The handbook of social psychology (Vol. 5, pp. 194-33). New York: Wiley.

Cohen, G. L., & Sherman, D. K. (2014). The psychology of change: Self-affirmation and social psychological intervention. Annual Review of Psychology, 65, 333-371. doi:10.1146/annurev-psych-010213-115137

Cramwinckel, F.M., van Dijk, E., Scheepers, D. T., & Van den Bos, K. (2013). The threat of moral refusers for one’s self-concept and the protective function of physical cleansing. Journal of Experimental Social Psychology, 49(6), 1049-1058. Doi: 10.1016/j.jesp.2013.07.009

Cramwinckel, F.M., Van den Bos, K., & Van Dijk, E. (2016). Displaying Counter-Attitudinal Behavior Regarding Equal Rights for Homosexuals—Effects on Self-Evaluations and Evaluations of Others. Manuscript under review.

Effron, D. A. (2014). Making mountains of morality from molehills of virtue: Threat causes people to overestimate their moral credentials. Personality and Social Psychology Bulletin, 40(8), 972-985. doi: 10.1177/0146167214533131

Landau, M. J., Meier, B. P., & Keefer, L. A. (2010). A metaphor-enriched social cognition. Psychological Bulletin, 136(6), 1045-1066. doi:10.1037/a0020970

Lee, S. W. S., & Schwarz, N. (2010). Washing Away Postdecisional Dissonance. Science, 328, 709. doi: 10.1126/science.1186799

Lee, S. W. S., & Schwarz, N. (2011). Wiping the slate clean: Psychological consequences of physical cleansing. Current Directions in Psychological Science, 20(5), 307-311. doi:10.1177/0963721411422694

Minson, J. A., & Monin, B. (2012). Do-gooder derogation: Disparaging morally motivated minorities to defuse anticipated reproach. Social Psychological and Personality Science, 3(2), 200-7. doi:10.1177/1948550611415695

Monin, B. (2007). Holier than me? threatening social comparison in the moral domain. Revue Internationale De Psychologie Sociale-International Review of Social Psychology, 20(1), 53-68.

Monin, B., Sawyer, P. J., & Marquez, M. J. (2008). The rejection of moral rebels: Resenting those who do the right thing. Journal of Personality and Social Psychology, 95(1), 76-93. doi:10.1037/0022-3514.95.1.76

Parks, C. D., & Stone, A. B. (2010). The desire to expel unselfish members from the group. Journal of Personality and Social Psychology, 99(2), 303-313. doi: 10.1037/a0018403

Schaumberg, R. L., & Wiltermuth, S.S. (2014). Desire for a positive moral self-regard exacerbates escalation of commitment to initiatives with prosocial aims. Organizational Behavior and Human Decision Processes, 123, 110-113.

Schnall, S., Roper, J., & Fessler, D. M. T. (2010). Elevation leads to altruistic behavior. Psychological Science, 21(3), 315-320.

Sherman, D. K., & Cohen, G. L. (2006). The psychology of self-defense: Self-affirmation theory. Advances in Experimental Social Psychology, 38(38), 183-242. doi:10.1016/S0065-2601(06)38004-5

Silvers, J. A., & Haidt, J. (2008). Moral elevation can induce nursing. Emotion, 8(2), 291-295. doi: 10.1037/1528-3542.8.2.291

Skitka, L. J. (2010). The psychology of moral conviction. Social and Personality Psychology Compass, 4, 267-281.

Zhong, C. B., & Liljenquist, K. (2006). Washing away your sins: Threatened morality and physical cleansing. Science, 314(5797), 254-254. doi: 10.1126/science.1130726

Auteur(s) van het artikel

Facebook