Boosheid: een prosociale emotie?

Boosheid is voor velen een bekende emotie. We ervaren deze emotie bijvoorbeeld wanneer we onrechtvaardig behandeld, bedrogen of beledigd worden en uiten boosheid door te slaan, schoppen en schreeuwen. Ondanks dat het voor veel mensen vanzelfsprekend is dat boosheid een negatieve emotie is, laat mijn onderzoek zien dat boosheid ook als een positieve of prosociale emotie kan worden gezien. Boze mensen zijn namelijk bereid onrecht te herstellen door een slachtoffer te compenseren. Ik beschrijf wanneer en waarom boosheid leidt tot zulk prosociaal gedrag.

Laat ik eerst duidelijk maken wat met ‘prosociaal gedrag’ wordt bedoeld. Prosociaal gedrag is gedrag dat gericht is op het welzijn van anderen en is daarmee het tegenovergestelde van antisociaal gedrag. Waarom de term ‘prosociaal’ en niet gewoon ‘sociaal’? Omdat in sociaalwetenschappelijke kringen de term ‘sociaal’ alleen aangeeft dat er sprake is van gedrag ten opzichte van anderen, maar niet zozeer wat voor gedrag. De term prosociaal refereert naar positief gedrag om het welbevinden van de ander te bevorderen, zoals helpen, delen, of steunen.

Maar boosheid is toch een negatieve emotie, waar komt die link met prosociaal gedrag dan vandaan? Om die vraag te kunnen beantwoorden is het goed om te kijken naar wat we weten over boosheid. Enerzijds kan boosheid inderdaad beschouwd worden als een negatieve emotie als we kijken naar de beleving van deze emotie en de situaties waarin boosheid ontstaat: boosheid voelt negatief en ontstaat in situaties van onrecht, bedrog of belediging die we als negatief evalueren. Aan iedere emotie zijn ook bepaalde gedragsconsequenties gekoppeld. In het geval van boosheid kan dit zowel negatief als positief uitpakken. Boosheid kan ons aansporen tot het bestraffen of terugpakken van de persoon die ons gekwetst heeft (Berkowitz, 1990; Nelissen & Zeelenberg, 2009; Roseman, Wiest, & Swartz, 1994). Maar soms staat het belang van anderen centraal: We komen niet alleen voor onszelf op wanneer we boosheid voelen, maar staan ook op voor het recht van anderen (Haidt, 2003). Bijvoorbeeld, we kunnen boos worden omdat we zien dat een onschuldig iemand in elkaar geslagen wordt. In dit soort situaties leidt boosheid niet alleen tot agressief of bestraffend gedrag naar de veroorzaker van het onrecht, maar biedt het ook de optie tot het helpen van het slachtoffer van onrecht ( prosociaal gedrag).

Dit onderscheid – boosheid door wat jou aangedaan wordt (zogenaamde eerstepersoonsboosheid) versus boosheid door wat een ander aangedaan wordt (zogenaamde derdepersoonsboosheid) – blijkt belangrijk in het begrijpen van de gedragsconsequenties van boosheid. In derdepersoonssituaties kan je je richten op zowel een dader als een slachtoffer en zulke situaties geven dus toegang tot prosociale gedragingen. In eerstepersoonssituaties kun je je alleen richten op de dader waardoor straffen logischer is. Kortom, als je boos bent om wat jou is aangedaan, zal je dus meestal geneigd zijn de dader te straffen. Maar als je boos bent om wat een ander is aangedaan, kun je zowel geneigd zijn om de dader te straffen als het slachtoffer te helpen.

Er is slechts een aantal studies die een eerste indicatie geven dat boosheid tot prosociaal gedrag kan leiden in derdepersoonssituaties (zie Van Doorn, Zeelenberg, & Breugelmans, 2014 voor een uitgebreide review). Zo laat onderzoek zien dat het ervaren van boosheid in onrechtvaardige situaties waarbij een ander iets aangedaan wordt een relatie heeft met het steunen van minderbedeelden, het helpen van slachtoffers en compensatie aan slachtoffers (e.g., Lotz, Okimoto, Schlösser, & Fetchenhauer, 2011; Montada & Schneider, 1989; Wakslak, Jost, Tyler, & Chen, 2007). Het huidige artikel is er op gericht een antwoord te geven wanneer en waarom boosheid leidt tot prosociaal gedrag. Prosociaal gedrag is in het huidige onderzoek gemeten door boze participanten te vragen in hoeverre zij eigen geld willen inzetten om het slachtoffer te helpen. Er is niet gekeken in hoeverre boze participanten willen dat de dader zich prosociaal opstelt naar het slachtoffer (bijvoorbeeld, door het bieden van compensatie aan het slachtoffer). Dit onderscheid is van belang omdat de uiting van gedrag beïnvloed kan worden door kosten die het met zich meebrengt. 

Boosheid leidt tot prosociaal gedrag

Allereerst is de mate waarin mensen eerstepersoonsboosheid en derdepersoonsboosheid ervaren in het dagelijks leven onderzocht. Resultaten toonden aan dat boosheid in eerstepersoons- en derdepersoonssituaties even vaak ervaren wordt. We voelen dus even vaak boosheid om wat onszelf is aangedaan als om wat een ander is aangedaan. Ten tweede is onderzocht of derdepersoonsboosheid leidt tot prosociaal gedrag. In de studies werd boosheid opgewekt door deelnemers situaties te laten beschrijven waarin zij zelf boos waren (herinneringstaak) of door deelnemers een situatie te laten lezen die boosheid oproept (scenario). Vervolgens gaven deelnemers aan in hoeverre ze bereid zouden zijn om een dader te straffen of een slachtoffer te compenseren in een onrechtvaardige situatie. Als deelnemers ervoor kozen om het slachtoffer te compenseren, kan dat ook voortkomen uit empathische bezorgdheid in plaats van boosheid. Daarom is ook gemeten hoe empathisch deelnemers waren. De resultaten lieten zien boze deelnemers in derdepersoonssituaties een voorkeur hadden voor het compenseren van een slachtoffer boven het straffen van een dader. Het effect van boosheid op compensatie kon niet verklaard worden door mogelijke empathische gevoelens (al werd er in deze studie wel gevonden dat een hogere mate van empathische bezorgdheid tot meer prosociaal gedrag leidde). 

Waarom leidt boosheid tot prosociaal gedrag?

Daarnaast is een verklaring voor prosociaal gedrag bij boze mensen onderzocht, namelijk de verklaring dat boze mensen onrecht willen rechtzetten. In de studies werd boosheid opgewekt door inleving in scenario’s waarin iemand onrecht werd aangedaan en lazen deelnemers vervolgens of het onrecht al was rechtgezet of niet. Bijvoorbeeld, doordat de politie de dader al had gestraft of dat de verzekeringsmaatschappij de schade van een slachtoffer al had gecompenseerd. Vervolgens gaven deelnemers aan in hoeverre zij boosheid ervoeren en bereid waren zich prosociaal te gedragen naar het slachtoffer. Resultaten lieten zien dat boosheid alleen leidde tot prosociaal gedrag naar een slachtoffer wanneer een deelnemer met dat gedrag onrecht kon herstellen. Wanneer onrecht al hersteld was door een andere partij, zoals de politie of de verzekeringsmaatschappij, leidde dit tot een afname van zowel de mate van ervaren boosheid als de motivatie tot prosociaal gedrag naar het slachtoffer. Oftewel, als iemand anders de schade al hersteld heeft, hoef je dat zelf dus niet meer te doen. In dat geval worden mensen minder boos en vertonen zij minder prosociaal gedrag naar het slachtoffer. Bovendien lijken de resultaten er op te wijzen dat mensen minder prosociaal gedrag vertonen wanneer de andere partij het slachtoffer compenseert dan wanneer de andere partij de dader straft, al is dit niet statistisch significant. Het is wel in overeenstemming met eerdere resultaten waaruit een voorkeur voor compensatie boven straffen blijkt.

Een andere studie waarin we onze boosheidkennis hebben toegepast, betrof een studie naar donatiegedrag bij (boze) deelnemers. Meer specifiek is gekeken of boosheid leidt tot prosociaal gedrag in de vorm van het doneren aan een goed doel als men met deze donatie onrecht kan herstellen. In de studie werd boosheid opgewekt aan de hand van een herinneringstaak en werd aan deelnemers gevraagd in hoeverre ze bereid waren geld te doneren aan twee verschillende goede doelen. Deze goede doelen verschilden van elkaar in de bijdrage die ze konden leveren met het geld dat ingezameld werd. Het ene goede doel had een specifiek herstellende functie: met de donatie werden vrouwelijke slachtoffers van mensenhandel gecompenseerd zodat zij een nieuw leven konden starten. Het andere goede doel had niet zo specifiek herstellende functie: met de donatie werden vrouwelijke slachtoffers van natuurrampen  die in crisiscentra verblijven opgevangen. Het laatste goede doel richtte zich niet op concrete compensatie/herstel van het leed, maar op het voorkomen van een verslechtering van de situatie. Ook hier kon het zijn dat het doneren van geld voortkwam uit empathische bezorgdheid in plaats van boosheid. Daarom werd gekeken naar het empathisch vermogen bij deelnemers als mogelijk alternatieve verklaring voor de mate van doneren. Resultaten lieten zien dat boze mensen meer geld doneerden wanneer de donatie een herstellende functie had dan wanneer deze geen herstellende functie had. Mensen die geen boosheid ervoeren doneerden even veel geld aan een goed doel met een herstellende als een niet-herstellende functie. In overeenstemming met eerdere resultaten leidt boosheid alleen tot prosociaal gedrag als hiermee onrecht rechtgezet kan worden en kan het effect van boosheid op donaties onafhankelijk van empathie ontstaan.

Conclusie

Al samenvattend kan geconcludeerd worden:

(1) boosheid in eerstepersoons- en derdepersoonssituaties wordt even vaak ervaren;

(2) manieren om onrecht recht te zetten zijn zowel negatief (zoals het straffen van een dader) als prosociaal (zoals het compenseren van een slachtoffer);

(3) boosheid leidt tot prosociaal gedrag als men daarmee onrecht kan rechtzetten;

(4) het herstellen van onrecht via prosociaal gedrag heeft de voorkeur boven straffen;

(5) prosociale gedragingen die voortkomen uit boosheid kunnen leiden tot hogere donaties aan een goed doel wanneer de donatie een onrecht-herstellende functie heeft.

Door te laten zien dat boosheid tot meer diverse gedragingen kan leiden dan alleen negatief en agressief gedrag en door te laten zien wanneer en waarom deze gedragingen tot stand komen, schijnt het huidige onderzoek nieuw licht op boosheid.

Waarom mensen liever compenseren dan straffen is nog niet geheel duidelijk en verdient meer onderzoek. Een verklaring kan worden gezocht in het feit dat straffen in principe het onrecht wel hersteld, maar het slachtoffer niet uit zijn/haar nadelige positie haalt. Meer algemeen zou gezegd kunnen worden dat mensen compensatie prefereren omdat dit een zekerdere uitkomst biedt dan straffen. Dat wil zeggen, met compensatie weet je zeker dat het slachtoffer geholpen is, bij straffen weet je niet zeker dat een dader vervolgens op het rechte pad zal blijven.

In het huidige onderzoek was geen van de overtredingen heel ernstig; het betrof oneerlijke verdelingen van geld, diefstal of zinloos geweld. Voor toekomstig onderzoek zou het interessant zijn om te kijken naar gedragsvoorkeuren van boze mensen in derdepersoonssituaties in het geval van een ernstig delict. Dit kan twee kanten op. Enerzijds is het mogelijk dat de voorkeur voor compenseren alleen aanwezig is in geval van delicten met een matige ernst en dat straffen de voorkeur heeft in geval van ernstige delicten. Zo laat onderzoek zien dat mensen meer bestraffend zijn in geval van ernstige delicten (iemand op gewelddadige wijze uit zijn auto verwijderen en de auto stelen) in vergelijking met minder ernstige delicten (het stelen van geld uit een pinautomaat) (Rucker, Polifroni, Tetlock, & Scott, 2004). Anderzijds, de schade die een slachtoffer is berokkend neemt ook vaak toe naarmate een delict ernstiger wordt en daardoor zou de voorkeur voor compensatie wellicht nog steeds de boventoon kunnen voeren. Daarnaast is sommige schade niet te herstellen voor slachtoffers waardoor straffen de enige werkbare optie is. Echter, ook in zulke gevallen kan er een motivatie zijn om een slachtoffers te helpen anders dan via directe compensatie. Onderzoek laat bijvoorbeeld zien dat mensen het acceptabel vinden om rekening te houden met de beschreven gevolgen van een ernstig misdrijf voor het slachtoffer bij het bepalen van de straf van de dader  (Lens, Van Doorn, Pemberton, & Bogaerts, 2014).

Welke implicaties zie ik voor de maatschappij? Ik constateer een discrepantie in wat observanten prefereren, namelijk compensatie van slachtoffers, en waar ons rechtssysteem zich voornamelijk op richt, namelijk de bestraffing van daders. De onvrede onder het publiek over straffen die toebedeeld worden in Nederland (De Keijser, Van Koppen, & Elffers, 2007) kan hier wellicht deels door verklaard worden; straffen helpt een slachtoffer niet uit zijn/haar nadelige positie. Als straffen voor veel personen niet de geprefereerde manier is om onrecht recht te zetten, dan kan in sommige gevallen een straf niet opwegen tegen de bijdrage die compensatie kan hebben. Hiermee wil ik niet zeggen dat mensen helemaal niet willen dat een dader gestraft wordt of dat het informeren van burgers over straffen afgeschaft zou moeten worden. Een suggestie die hier uit voortvloeit is dat de maatschappij beter geïnformeerd zou mogen worden omtrent de compensatie die slachtoffers ontvangen; informatie die hen nu nog niet goed bereikt. Het informeren over compensatie kan mogelijk een deel van de onvrede over straffen opvangen. Er zijn verschillende manieren waarop slachtoffers compensatie kunnen krijgen in Nederland, dus het verschaffen van compensatie zelf vormt niet zozeer het probleem, maar wellicht wel de kennis die het algemeen publiek hierover heeft.

Kortom, boosheid mag dan misschien niet geheel te classificeren zijn als prosociale emotie, maar het idee dat boosheid in alle opzichten een negatieve emotie is, is een onderschatting.  

Dit artikel is gebaseerd op de publicatie:

Van Doorn, J. (2014). On anger and prosocial behavior. Ridderkerk: Ridderprint.

Referentie

  • Berkowitz, L. (1990). On the formation and regulation of anger and aggression. A cognitive-neoassociationistic analysis. American Psychologist, 45, 494–503. doi: 10.1037/0003-066X.45.4.494
  • De Keijser, J. W., Van Koppen, P. J., & Elffers, H. (2007). Bridging the gap between judges and the public? A multi-method study. Journal of Experimental Criminology, 3, 131–161. doi:10.1007/s11292-007-9031-3
  • Haidt, J. (2003). The moral emotions. In R. J. Davidson, K. R. Scherer, & H. H. Goldsmith (Eds.), Handbook of affective sciences (pp. 852–870). Oxford: Oxford University Press.
  • Lens, K. M. E., Van Doorn, J., Pemberton, A., & Bogaerts, S. (2014). You shouldn’t feel that way! Extending the emotional victim effect through the mediating role of expectancy violation. Psychology, Crime & Law, 20, 326–338. doi:10.1080/1068316X.2013.777962
  • Lotz, S., Okimoto, T. G., Schlösser, T., & Fetchenhauer, D. (2011). Punitive versus compensatory reactions to injustice: Emotional antecedents to third-party interventions. Journal of Experimental Social Psychology, 47, 477–480. doi:10.1016/j.jesp.2010.10.004
  • Montada, L., & Schneider, A. (1989). Justice and emotional reactions to the disadvantaged. Social Justice Research, 3, 313–344. doi:10.1007/BF01048081
  • Nelissen, R. M. A., & Zeelenberg, M. (2009). Moral emotions as determinants of third party punishment: Anger, guilt, and the functions of altruistic sanctions. Judgment and Decision Making, 4, 543–553. Retrieved from http://journal.sjdm.org/91001/jdm91001.pdf
  • Roseman, I. J., Wiest, C., & Swartz, T. S. (1994). Phenomenology, behaviors, and goals differentiate discrete emotions. Journal of Personality and Social Psychology, 67, 206–221. doi:10.1037/0022-3514.67.2.206
  • Rucker, D. D., Polifroni, M., Tetlock, P. E., & Scott, A. L. (2004). On the assignment of punishment: The impact of general-societal threat and the moderating role of severity. Personality and Social Psychology Bulletin, 30, 673–684. doi:10.1177/0146167203262849
  • Van Doorn, J., Zeelenberg, M., & Breugelmans, S. M. (2014). Anger and prosocial behavior. Emotion Review, 6, 266-273. doi:10.1177/1754073914523794
  • Wakslak, C. J., Jost, J. T., Tyler, T. R., & Chen, E. S. (2007). Moral outrage mediates the dampening effect of system justification on support for redistributive social policies. Psychological Science, 18, 267–274. doi: 10.1111/j.1467-9280.2007.01887.x