De rol van stereotiepe verwachtingen in emotieherkenning

Welke factoren bepalen hoe gemakkelijk emoties worden waargenomen? Het ligt voor de hand dat hoe bozer iemand kijkt, hoe gemakkelijker boosheid waarneembaar is. Maar maakt het voor het gemak om emoties waar te nemen daarnaast ook uit wie een emotie vertoont? Wordt boosheid makkelijker waargenomen bij mannen dan bij vrouwen? In dit artikel wordt onderzoek besproken dat laat zien dat ‘hokjesdenken’ de waarneming van emotionele expressies kan kleuren. 

 

Graag wil ik je vragen om de komende tien seconden een boos gezicht in gedachten te houden. Probeer voordat je verder leest een duidelijk beeld te krijgen van dit boze gezicht dat je aankijkt.

We komen later in het artikel terug op deze opdracht.

In dagelijkse sociale interacties is het van groot belang om goed en snel waar te nemen hoe mensen zich voelen. Gezichtsuitdrukkingen spelen hierbij een belangrijke rol en worden gebruikt als informatiebron voor hoe je je in een interactie gedraagt. Bijvoorbeeld, wanneer iemand verdrietig is dan kun je deze persoon troosten door naar haar (of hem) toe te gaan. Wanneer de persoon die je waarneemt boos is dan zou je daarentegen eerder geneigd zijn om hem (of haar) te vermijden.

Hoe lezen mensen emoties af uit een gezicht? Het ligt voor de hand om te denken dat emotieherkenning wordt beïnvloed door specifieke karakteristieken van het gezicht, die bepaald worden door samentrekking van spieren en door meer structurele vaststaande gezichtseigenschappen. Zo is de kans groot dat de boze persoon waaraan we je vroegen te denken samengeknepen ogen en gefronste wenkbrauwen had. Uit onderzoek blijkt inderdaad dat naarmate een emotie op een gezicht intenser is, emotieherkenning gemakkelijker wordt (Leppänen, Kauppinen, Peltola, & Hietanen, 2007). Een voorbeeld van een structureel kenmerk dat emotieherkenning beïnvloedt is de grootte van iemands ogen. Zo wordt boosheid sneller herkend op gezichten met kleine ogen, terwijl angst juist sneller herkend wordt op gezichten met grote ogen (Sacco & Hugenberg, 2009).

Stereotypen en emotieherkenning

Echter, naast specifieke eigenschappen van het waargenomen gezicht hebben ook verwachtingen van de waarnemer over de persoon die een emotie uit invloed op het gemak van de herkenning van de emotie.

Terug naar het voorbeeld aan het begin van het stuk: behoorde het boze gezicht waaraan je dacht toe aan een man of een vrouw? Het blijkt dat de meeste mensen - ongeveer 75% - in deze situatie aangeven aan een man te denken (Bijlstra, 2013; zie eveneens Becker, Kenrick, Neuberg, Blackwell, & Smith, 2007). Zou je aan een persoon van hetzelfde geslacht hebben gedacht wanneer we je hadden gevraagd om aan een verdrietig gezicht te denken? Op basis van stereotiepe kennis over mannen en vrouwen (Plant, Hyde, Keltner, & Devine, 2000) zou je kunnen verwachten dat vrouwen vaker verdrietig zijn dan mannen en dat hierdoor de kans groter is dat je aan een vrouwelijk dan mannelijk gezicht denkt. In lijn met dit stereotiepe beeld daalt het percentage deelnemers dat aan een man denkt na de vraag om aan een verdrietig gezicht te denken tot 42% (Bijlstra, 2013). Deze resultaten suggereren dat emoties sterk zijn gekoppeld aan een bepaalde sociale groep. Beïnvloeden dergelijke koppelingen (associaties) het gemak van herkenning van emoties?

In ons onderzoek van de afgelopen jaren hebben wij veel bewijs gevonden voor de invloed van stereotiepe associaties van de waarnemer op het herkennen van emoties (Bijlstra, Holland, & Wigboldus, 2010; Bijlstra, Holland, Dotsch, Hugenberg, & Wigboldus, 2014). Om deze bevinding goed te kunnen begrijpen is het belangrijk om te weten dat mensen de neiging hebben om wat ze zien te categoriseren (door sommigen ook wel hokjesdenken genoemd; Allport 1954). Op het moment dat je iemand waarneemt ben je geneigd om deze persoon in te delen in een sociale groep. Dit gebeurt bijvoorbeeld aan de hand van sekse, nationaliteit of beroep. Tegelijkertijd wordt de bijbehorende kennis geactiveerd over deze groep, bijvoorbeeld kennis over stereotypen zoals mannen en boosheid, of vrouwen en verdriet. De mate waarin stereotypen worden geactiveerd hangt af van de situatie waarin personen worden waargenomen. Recent onderzoek suggereert bijvoorbeeld dat op angst gebaseerde vooroordelen sterker worden geactiveerd in het donker dan wanneer het licht is (Wennekers, 2013). Met deze geactiveerde kennis over groepen in het achterhoofd worden anderen waargenomen en wordt bijvoorbeeld de herkenning van emoties beïnvloed.

Het volgende onderzoek illustreert deze bevindingen. In een van onze experimenten (Bijlstra en collega’s, 2010) lieten wij deelnemers kort plaatjes zien van mannelijke en vrouwelijke gezichten die boosheid of verdriet uitbeelden. De vraag aan deelnemers was om zo snel mogelijk de emotie te categoriseren als zijnde boos of verdrietig. Hoewel de emotionele expressies op alle gezichten vrijwel identiek waren, werd boosheid sneller op mannelijke dan op vrouwelijke gezichten herkend, terwijl verdriet sneller op vrouwelijke dan op mannelijke gezichten werd herkend. Daarnaast lieten wij in vergelijkbaar onderzoek zien dat hoe sterker stereotiepe associaties tussen specifieke groepen en concrete emoties aanwezig zijn bij deelnemers, hoe sterker zij stereotiepe effecten vertonen in emotieherkenning (Bijlstra et al., 2014). Uit de resultaten van deze onderzoeken concluderen wij dat stereotiepe kennis wordt geactiveerd bij het waarnemen van mannelijke en vrouwelijke gezichten en vervolgens wordt toegepast, waardoor het de waarneming van emoties beïnvloedt.

De hierboven beschreven effecten zijn niet specifiek voor mannelijke en vrouwelijke gezichten. In lijn met het idee dat sociale categorisatie (hokjesdenken) de herkenning van emoties beïnvloedt, zijn vergelijkbare resultaten gevonden voor etniciteit (Nederlandse vs. Marokkaanse mannen, Bijlstra et al., 2014), ras (blank vs. zwart, Hugenberg & Bodenhausen, 2003; Hugenberg 2005), leeftijd in combinatie met ras (Kang & Chasteen, 2009) en sociale status (hoge vs. lage macht, Ratcliff, Franklin Jr., Nelson, & Vescio, 2012). De achterliggende gedachte is steeds hetzelfde: de associaties die worden geactiveerd bij het waarnemen van de verschillende groepsleden beïnvloeden het gemak waarmee emoties worden herkend.

Conclusie

Uit de beschreven onderzoeken concluderen wij dat emotieherkenning niet alleen wordt beïnvloed door de manier waarop een emotie wordt uitgebeeld, maar eveneens door stereotiepe verwachtingen die je over iemand hebt. Het beeld dat we in ons hoofd hebben kleurt hoe we andere mensen in onze omgeving waarnemen. Een mogelijke consequentie hiervan kan zijn dat mensen geneigd zijn om denkbeelden die ze hebben te bevestigen. Namelijk, wanneer het gemakkelijker is om boze mannen en verdrietige vrouwen waar te nemen, dan zien we wellicht vaker boze mannen of verdrietige vrouwen in onze omgeving. De gevonden effecten zouden op deze manier bijdragen aan het in stand houden van stereotypen. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen of een dergelijk proces inderdaad plaatsvindt en of het mogelijk is om deze vicieuze cirkel te doorbreken.

 

Referentielijst

  • Allport, G. (1954). The nature of prejudice. Reading, MA: Addison-Wesley.
  • Becker, D. V., Kenrick, D. T., Neuberg, S. L., Blackwell, K. C., & Smith, D. M. (2007). The confounded nature of angry men and happy women. Journal of Personality and Social Psychology, 92, 179-190.
  • Bijlstra, G., Holland, R. W., & Wigboldus, D. H. J. (2010). The social face of emotion recognition: Evaluations versus stereotypes. Journal of Experimental Social Psychology, 46, 657-663.
  • Bijlstra, G., Holland, R.W., Dotsch, R., Hugenberg, K., & Wigboldus, D. H. J. (2014). Stereotype associations and emotion recognition. Personality and Social Psychology Bulletin, 40, 567-577.
  • Bijlstra, G. (2013, Juli 03). Social categorization and the perception of emotional expressions (Proefschrift).Radboud Universiteit Nijmegen. Prom./coprom.: prof. dr. D. H. J. Wigboldus & prof. dr. R. W. Holland.
  • Hugenberg, K. (2005). Social Categorization and the perception of facial threat: Target race moderates the response latency advantage for happy faces. Emotion, 5, 267-276.
  • Hugenberg, K., & Bodenhausen, G. V. (2003). Facing prejudice: Implicit prejudice and the perception of facial threat. Psychological Science, 14, 640-643.
  • Kang, S. K., & Chasteen, A. L. (2009). Beyond the double jeopardy hypothesis: Assessing emotion on the faces of multiple-categorizable targets of prejudice. Journal of Experimental Social Psychology, 45, 1281-1285.
  • Leppänen, J. M., Kauppinen, P., Peltola, M. J., & Hietanen, J. K. (2007). Differential electrocortical responses to increasing intensities of fearful and happy emotional expressions. Brain research, 1166, 103-109.
  • Plant, E. A., Hyde, J. S., Keltner, D., & Devine, P. G. (2000). The gender stereotyping of emotions. Psychology of Women Quarterly, 24, 81–92.
  • Ratcliff, N. J., Franklin Jr, R. G., Nelson, A. J., & Vescio, T. K. (2012). The scorn of status: A bias toward perceiving anger on high-status faces. Social Cognition, 30(5), 631-642.
  • Sacco, D. F., &  Hugenberg, K. (2009). The look of fear and anger: Facial maturity modulates recognition of fearful and angry expressions. Emotion, 9, 39-49.
  • Wennekers, A. M. (2013). Embodiment of prejudice: The role of the environment and bodily states. (Proefschrift) Radboud Universiteit Nijmegen. Prom./coprom.: prof. dr. D. H. J. Wigboldus & prof. dr. R.W. Holland.

Auteur(s) van het artikel

begrippenlijst van artikel

Facebook