Een helpende hand? De rol van discriminatie bij het hulpgedrag van kinderen

Kinderen zijn heel prosociaal ingesteld en vinden het belangrijk om anderen te helpen. Zo zijn kinderen op de jonge leeftijd van 14 maanden al gemotiveerd om anderen te hulp te schieten, bijvoorbeeld door gevallen pennen op te rapen of door een kastje voor iemand open te doen die zijn of haar handen vol heeft (zie Warneken & Tomasello, 2014). Naarmate kinderen ouder worden, begrijpen ze steeds beter hoe anderen zich voelen en hoe ze hen kunnen helpen (Eisenberg-Berg, 1979). Het onderzoek naar de ontwikkeling van hulpgedrag heeft echter nog weinig aandacht besteed aan wie kinderen dan wel (of niet) willen helpen. En de vraag is: vinden kinderen dat je iedereen moet helpen?

 

Groepsbelangen

Kinderen maken, net als volwassenen, deel uit van veel groepen. Hierbij kan je bijvoorbeeld denken aan de klas waar ze in zitten, het sportteam waar ze deel van uitmaken en hun etnische achtergrond. Verschillende onderzoeken laten zien dat kinderen al vroeg in hun leven in staat zijn om deze groepen te categoriseren. Zo kunnen baby’s van drie maanden oud al het verschil tussen etnische groepen te zien (Bar-Haim, Ziv, Lamy, & Hodes, 2006) en vanaf ongeveer vier jaar beginnen kinderen hun eigen groep leuker, mooier en fijner te vinden dan groepen waar zij niet bij horen (Baron & Banaji, 2006; Cameron, Alvarez, Ruble, & Fuligni, 2001). Deze identificatie met bepaalde groepen, kan een groot aantal consequenties hebben. Niet alleen leidt het tot het bevoordelen van de eigen groep, maar vaak kan het ook leiden tot discriminatie en in het uiterste geval tot het kwaad doen of straffen van leden van een andere groep. Het behoren tot een groep is dus zowel functioneel (we voelen ons er beter door, het geeft ons zelfvertrouwen) als dysfunctioneel.

Sociaalpsychologisch onderzoek laat zien dat deze bevooroordeling ten opzichte van de eigen groep ook bij kinderen al diverse consequenties kan hebben. Zo zijn kinderen geneigd om leeftijdsgenoten die hun eigen groep niet steunen uit te sluiten (Abrams, Rutland, Pelletier, & Ferrell, 2009) en zien ze agressief gedrag van een groepslid als minder erg dan dat van iemand die niet tot hun groep behoort (Nesdale, Killen, & Duffy, 2013). Het onderzoek naar de gevolgen van groepsdenken richt zich echter vooral op negatieve gedragingen zoals pesten, uitsluiting en vooroordelen. Meer inzicht in deze negatieve gedragingen is van belang, willen we discriminatie voorkomen. Maar zelfs al lukt het om dit soort gedrag te voorkomen, dan betekent dit niet automatisch dat kinderen ook daadwerkelijk aardiger worden naar kinderen die tot een andere groep behoren dan die van hen. Daarom is ook onderzoek nodig naar hoe discriminatie positieve gedragingen kan beïnvloeden. Er is echter opmerkelijk weinig kennis over hoe groepsbelangen positief gedrag van kinderen beïnvloedt. Ik ben daarom gestart met te onderzoeken of kinderen ook discrimineren wanneer ze andere mensen helpen en hoe we hen kunnen stimuleren dit juist niet te doen.

Discriminatie in helpen

Ik legde Nederlandse kinderen in de leeftijd van 8 tot 13 jaar verschillende verhaaltjes voor om te achterhalen of groepsdenken een rol speelt in hoe ze denken over helpen (Sierksma, Thijs, & Verkuyten, 2014). In de verhaaltjes wisselde ik af tot welke groep de helper én tot welke groep het slachtoffer behoorde. Dit kon betekenen dat een Nederlands kind in het verhaaltje weigerde om een ander Nederlands kind of een Turks kind te helpen, of dat een Turks kind weigerde een ander Turks kind of een Nederlands kind te helpen. De etniciteit van de kinderen werd gevarieerd door typische Turkse of Nederlandse namen te gebruiken in het verhaaltje. Kinderen lazen bijvoorbeeld: ‘Tim is zijn fietssleutel kwijt. Hij vraagt aan Murat of hij wil helpen met zoeken. Murat doet dat niet’. Vervolgens werd aan kinderen gevraagd ‘Wat vind jij ervan dat Murat niet helpt met zoeken?’. Kinderen bleken negatiever over de hulpweigering wanneer zowel de helper als het slachtoffer tot dezelfde groep behoorden (allebei Turks of allebei Nederlands) dan wanneer dat niet het geval was. Dit suggereert dat kinderen hulpgedrag in een groepscontext evalueren in termen van een algemeen geldende loyaliteitsnorm: ‘Je hoort kinderen van je eigen groep te helpen’.

Opvallend aan de resultaten was dat we niet terugzagen dat kinderen vooral hun eigen groep bevooroordeelde (‘Mensen moeten mijn groep helpen’), terwijl we dit, zoals ook eerder beschreven, in ander onderzoek juist wel vaak terugzien. We hebben daarom een vervolgstudie opgezet om uit te vinden waarom dit zo is. Een mogelijke reden kon zijn dat voor Nederlandse kinderen hun etnische achtergrond niet direct een belangrijke rol speelt in hun leven. Dat betekent dat, hoewel ze in de verhaaltjes wel herkenden dat het ging om verschillende etnische groepen, ze niet direct dachten ‘Dat gaat ook over mijn groep!’. Daarom hebben we het onderzoek herhaald, maar ditmaal lieten we kinderen voordat zij de verhaaltjes lazen, eerst vragen beantwoorden over hoe belangrijk zij het vonden om Nederlands te zijn. Daarnaast moesten kinderen eerst een aantal namen categoriseren naar etnische groep. Vervolgens werden dezelfde verhaaltjes als in studie 1 geëvalueerd. Uit de resultaten bleek ten eerste dat sommige kinderen het belangrijker en fijner vonden om Nederlander te zijn dan andere kinderen. De kinderen die erg trots waren op het feit dat ze Nederlands waren, bleken nu hun eigen groep wel te bevoordelen. Deze kinderen vonden het namelijk erger wanneer een Turks kind geen hulp bood aan een Nederlands kind, dan wanneer een Nederlands kind weigerde een Turks kind te helpen. Dit laat zien dat wanneer je kinderen bewust maakt van hun etnische identiteit, zij een voorkeur voor de eigen groep hebben (‘Zij moeten ons eerder helpen dan wij hen’).

Kunnen we het voorkomen?

Als kinderen dus niet automatisch discrimineren in wie ze willen helpen, betekent dit dan dat we ons geen zorgen hoeven te maken over ongelijke behandeling in hulpgedrag? Dat valt nog te bezien. Kinderen groeien op in een wereld waar zowel andere kinderen als volwassenen hen attent kunnen maken op etnische verschillen. Door toenemende globalisering zullen kinderen meer en meer in contact komen met kinderen van een andere etnische achtergrond. Dit betekent dat etnische verschillen wellicht ook steeds belangrijker worden in het leven van kinderen. Daarnaast weten we dat volwassenen wel de neiging hebben om hun eigen groep meer te helpen dan andere groepen (zie Stürmer & Snyder, 2010). We hebben daarom nog een derde onderzoek gedaan om te kijken of we de hulpintentie van kinderen ook kunnen beïnvloeden, zodat we wellicht kunnen voorkomen dat zij discrimineren bij het helpen van anderen (Sierksma, Thijs, & Verkuyten, 2015). Kinderen lazen wederom verhaaltjes waarbij het slachtoffer dit keer tot hun vriendengroep behoorde of juist niet, bijvoorbeeld: ‘Na schooltijd komt Sara naar je toe lopen. Sara is één van je vriendinnen. Ze vertelt dat ze aan de beurt is om de klas op te ruimen. Ze wil eigenlijk snel naar huis omdat haar moeder erg ziek is. Ze vraagt aan jou of je haar wilt helpen.’ De ene helft van de kinderen gaf vervolgens aan in welke mate ze wilden helpen. De andere helft van de kinderen vroegen we om eerst te beoordelen in hoeverre zij dachten dat het slachtoffer zich vervelend, verdrietig en rot voelde. Uit de resultaten bleek dat de eerste groep hun eigen groep bevoordeelde: ze wilden een leeftijdgenoot van hun eigen groep meer helpen dan een lid van de andere groep. Maar wanneer we kinderen eerst stimuleerden om zich in te leven in het slachtoffer, maakten ze niet langer onderscheid en wilden ze beide leeftijdsgenoten evenveel helpen. Dit suggereert dat kinderen zich dan meer richten op hoe die ander zich voelt en minder op tot welke groep hij of zij behoort. Natuurlijk moeten we nog meer onderzoek doen om te kijken in hoeverre deze interventie ook effectief is bij andere groepen en in het echte hulpgedrag van kinderen, maar inleven in het slachtoffer lijkt een goede strategie om discriminatie bij helpen tegen te gaan.

Referentielijst

  • Abrams, D., Rutland, A., Pelletier, J., & Ferrell J. (2009). Group nous and social exclusion: The role of theory of social mind, multiple classification skill and social experience of peer relations within groups. Child Development, 80, 224-243. Doi: 10.1111/j.1467-8624.2008.01256.x.
  • Bar-Haim, Y., Ziv, T., Lamy, D., & Hodes, R. M. (2006). Nature and nurture in own-race face processing. Psychological Science, 17, 159–163.
  • Baron, A. S., & Banaji, M. R. (2006). The development of implicit attitudes: Evidence of race evaluation from ages 6 and 10 and adulthood. Psychological Science, 7, 53–58.
  • Cameron, J. A., Alvarez, J. M., Ruble, D. N., & Fuligni, A. J. (2001). Children's lay theories about ingroups and outgroups: Reconceptualizing research on prejudice. Personality and Social Psychological Review, 5, 118-128.
  • Nesdale, D., Killen, M., & Duffy, A. (2013). Children’s social cognition about proactive aggression. Journal of Experimental Child Psychology, 166, 674–692.
  • Sierksma, J., Thijs, J., & Verkuyten (2014). Ethnic helping and group Identity: A study among majority group children. Social Development, 23, 803-819. Doi: 10.1111/sode.12077
  • Sierksma, J., Thijs, J. & Verkuyten, M. (2015). In-group bias in children’s intention to help can be overpowered by inducing empathy. British Journal of Developmental Psychology, 33, 45–56. Doi: 10.1111/bjdp.12065
  •  Stürmer, S., & Snyder, M. (2010). The psychology of prosocial behavior: Group processes, intergroup relations, and helping. Chichester, England: WileyBlackwell

 

illustratie: Gesa Kappen

Auteur(s) van het artikel

Facebook