Kun je vooroordelen verminderen door ‘positieve’ bewegingen te maken?

Dat ons gedrag gestuurd wordt door wat we denken of voelen is niet verrassend. Als we het ergens mee eens zijn knikken we bijvoorbeeld instemmend het hoofd. Maar wist u ook dat onze gevoelens en gedachten beïnvloed worden door onze gedragingen? Zo vinden we objecten aantrekkelijker als we met het hoofd hebben geknikt. Annemarie Wennekers beschrijft hoe bewegingen onze evaluaties van mensen van andere groepen kunnen beïnvloeden. Zij concludeert: onze vooroordelen zijn gevoelig voor onze omgeving en onze lichamelijke ervaringen. 

Klik hier voor een pdf-versie van dit artikel

Zonder veel nadenken delen we mensen in groepen in. Labels als ‘man’, ‘jong’, ‘Marokkaans’ geven ons al snel een beeld van een persoon, waardoor we de hoeveelheid informatie die we op een dag tegenkomen snel en efficiënt kunnen verwerken. Maar het indelen van mensen in groepen brengt ook problemen met zich mee, omdat deze labels de basis leggen voor stereotypering, vooroordelen en discriminatie (Brown, 1995). Hoe vergaand de consequenties van dit ‘hokjesdenken’ kunnen zijn, blijkt uit talloze hedendaagse voorbeelden en gebeurtenissen uit de menselijke geschiedenis. De verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog riepen vele vragen op over het ontstaan van vooroordelen en discriminatie. Uit een drang naar de beantwoording van deze vragen is het onderzoeksgebied van de sociale psychologie ontstaan (Cartwright, 1979). 

In dit stuk zal ik bespreken hoe onze vooroordelen beïnvloed kunnen worden door de omgeving en onze eigen lichamelijke ervaringen. Er is steeds meer onderzoek dat laat zien dat onze denkprocessen gevormd worden door onze gedragingen en ervaringen (Niedenthal, Barsalou, Winkielman, Krauth-Gruber, & Ric, 2005). Deze theorieën van ‘belichaamde cognitie’ hebben al veel nieuwe inzichten geleverd over de werking van emoties, de waarneming van onze omgeving en de ontwikkeling van evaluaties. Ik heb onderzocht hoe deze ‘belichaamde cognities’ effect kunnen hebben op de houding ten opzichte van mensen van andere groepen, oftewel op vooroordelen. Voordat ik mijn onderzoek over vooroordelen bespreek zal ik eerst wat dieper ingaan op de belangrijke rol van het lichaam bij ons denken en doen.

Het lichaam aan de basis

De afgelopen 30 jaar heeft het bewijs zich opgestapeld voor de belangrijke rol van het lichaam bij psychologische processen. Dit bewijs kan onderverdeeld worden in twee soorten bevindingen. Ten eerste beïnvloeden onze gevoelens en gedachten onze gedragingen. Ten tweede kunnen onze gedragingen onze gevoelens en gedachten sturen. Van beide typen bevindingen zal ik een aantal voorbeelden bespreken.

Mensen benaderen dingen die ze graag willen hebben en vermijden zaken waar ze liever niet mee in aanraking komen. Naar zulke toenadering en vermijding is veel onderzoek gedaan. In deze onderzoeken moesten deelnemers bijvoorbeeld een hendel (vaak in de vorm van een computer joystick) zo snel mogelijk naar zich toehalen of van zich afduwen bij verschillende soorten plaatjes of woorden. Herhaaldelijk is hierbij gevonden dat mensen bij positieve plaatjes of woorden sneller zijn in het naar zich toehalen van de joystick, terwijl ze negatieve plaatjes of woorden juist sneller wegduwen (Chen & Bargh, 1999). Ander onderzoek heeft laten zien dat mensen die een verhaal lezen over een aardig persoon automatisch positieve gezichtsuitdrukkingen vertonen, terwijl het lezen over een onaardig persoon tot negatieve uitdrukkingen leidt (Andersen, Reznik, & Manzella, 1996). Kortom: onze evaluaties sturen onze bewegingen en houdingen.

Andersom kunnen bepaalde bepaalde gedragingen of lichaamshoudingen ook onze evaluaties beïnvloeden. Een inmiddels klassiek voorbeeld is het onderzoek van Strack, Martin en Stepper (1988). Zij vroegen deelnemers van hun onderzoek om aan te geven hoe grappig ze een aantal cartoons vonden. Tijdens het beoordelen van de cartoons moesten de deelnemers een pen in hun mond houden. De ene helft van de deelnemers hield de pen tussen de tanden, de andere helft hield de pen tussen de lippen. Wanneer u dit zelf probeert zult u merken dat zich in het eerste geval een glimlach rond uw lippen vormt, terwijl uw mond in het tweede geval een strakke streep vormt. De resultaten van dit onderzoek waren verbluffend: de groep die de pen tussen de tanden hield (en dus glimlachte) vond de cartoons grappiger dan de groep die de pen tussen de lippen hield (en dus niet kon glimlachen)!

Een ander mooi voorbeeld is het experiment van Tom, Pettersen, Lau, Burton en Cook (1991) naar de invloed van het knikken en schudden met het hoofd op keuzes. De deelnemers van dit onderzoek werd gevraagd om te testen of een koptelefoon geschikt zou zijn om te dragen tijdens het sporten. Ze moesten de koptelefoon opzetten en met het hoofd heftige bewegingen maken. De ene helft van de deelnemers bewoog het hoofd in verticale richting, alsof ze knikten. De andere helft van de deelnemers maakte horizontale bewegingen met hoofd, alsof ze schudden. Tijdens het maken van deze bewegingen lag er een pen voor de deelnemers op tafel. Na afloop van het onderzoek mochten deelnemers als beloning een presentje kiezen: ofwel de pen die voor hun op tafel had gelegen, ofwel een pen die ze nog niet hadden gezien. De mensen die met het hoofd hadden geknikt kozen vaker voor de pen die ze gezien hadden tijdens het maken van de beweging, terwijl de ‘hoofdschudders’ vaker voor de nieuwe pen kozen.

Gedragingen en lichaamshoudingen kunnen dus ook onze evaluaties beïnvloeden, maar waarom? Het idee achter theorieën van belichaamde cognitie is dat kennis opgeslagen wordt in de gebieden die betrokken waren bij de oorspronkelijke ervaring. Als je bijvoorbeeld een gesprek met iemand voert  zijn verschillende hersengebieden actief bij wat je hoort, ziet en hoe je je gedraagt. Deze zintuiglijke informatie wordt in oorspronkelijke vorm opgeslagen in die gebieden en een deel van deze informatie wordt weer actief wanneer je later terugdenkt aan de gebeurtenis. Kennis is dus als het (gedeeltelijk) herbeleven van een oorspronkelijke gebeurtenis (Barsalou, 1999; Niedenthal, 2007). Bij het maken van bewegingen of het aannemen van bepaalde houdingen komen dus ook gevoelens terug die bij deze bewegingen horen. Bij het knikken van het hoofd horen ervaringen van goedkeuring en instemming en dit beïnvloedt hoe je de wereld op dat moment ziet. Op die manier kan knikken dingen positiever maken en schudden juist negatiever.

Belichaamde vooroordelen?

Welke rol speelt het lichaam bij de ontwikkeling en uiting van vooroordelen? Uit de bovenstaande bespreking van resultaten volgen twee voorspellingen. Ten eerste zouden vooroordelen het gedrag van mensen richting leden van andere groepen moeten beïnvloeden. Ten tweede zouden gedragingen richting leden van andere groepen op hun beurt invloed moeten hebben op de vooroordelen van een persoon. Voor de eerste voorspelling bestonden in de literatuur al duidelijke aanwijzingen. Voor de tweede voorspelling heb ik in mijn promotieonderzoek ondersteuning gevonden.

In verschillende onderzoeken is gevonden dat vooroordelen – zoals gemeten met indirecte taken als de Impliciete Associatie Test ( IAT; Greenwald, McGhee, & Schwartz, 1998) – op subtiele wijze invloed kunnen hebben op het gedrag van een persoon richting mensen van andere groepen. Zo vonden Dovidio, Kawakami en Gaertner (2002) dat blanke Amerikanen die relatief veel vooroordelen hadden over zwarte Amerikanen in een gesprek met een zwarte Amerikaan meer afstand hielden, minder oogcontact maakten en minder lachten. In Nederlands onderzoek zijn vergelijkbare resultaten gevonden. Nederlandse proefpersonen die relatief veel vooroordelen hadden over mensen van Marokkaanse afkomst hielden in een virtuele omgeving meer afstand van een Marokkaanse virtuele Marokkaanse jongen (Dotsch & Wigboldus, 2008).

In mijn promotieonderzoek heb ik de omgekeerde relatie onderzocht; van bewegingen naar vooroordelen. Volgens theorieën van belichaamde cognitie moet je om vooroordelen te veranderen, de lichamelijke basis van deze vooroordelen aanpakken (Niedenthal et al., 2005). Ik heb daarom gekeken of het koppelen van ‘positieve’ bewegingen aan een groep de vooroordelen of het bevooroordeeld gedrag ten opzichte van die groep kan verminderen (Wennekers, 2013). Ik heb dit onderzocht bij Nederlandse proefpersonen en net als bovengenoemd onderzoek heb ik gekeken naar vooroordelen en bevooroordeeld gedrag richting mensen van Marokkaanse afkomst. De bewegingen die ik bestudeerd heb zijn armbewegingen van toenadering en vermijding en hoofdbewegingen van knikken en schudden. Deze onderzoeken zal ik hieronder bespreken. Ook zal ik bespreken hoe de omgeving van invloed kan zijn bij de uiting van vooroordelen. Tot slot zal ik ingaan op de consequenties van dit onderzoek voor de bestrijding van vooroordelen.  

Ja knikken en nee schudden

In een van de experimenten wilden we onderzoeken of een positieve beweging – het knikken met het hoofd – tot minder vooroordelen zou leiden (Wennekers, Holland, Wigboldus, & Van Knippenberg, 2012). Deelnemers aan dit onderzoek moesten met hun hoofd een bewegend balletje volgen op het beeldscherm van een computer terwijl ze Nederlandse en Marokkaanse namen voorlazen. De ene groep bewoog van boven naar beneden ('ja knikken') bij Marokkaanse namen en van links naar rechts ('nee schudden') bij Nederlandse. In de andere groep was het precies andersom: zij schudden het hoofd bij Marokkaanse namen en knikten bij Nederlandse namen. We testten bij de deelnemers tweemaal hun vooroordelen – voor en na het knikken/schudden – en vonden een verandering als gevolg van de bewegingen. Het 'ja knikken' bij Marokkaanse namen verminderde de vooroordelen, het 'nee schudden' bij Marokkaanse namen had geen effect. Bewegingen die in het dagelijks leven gekoppeld zijn aan positieve gevoelens kunnen dus vooroordelen verminderen.

Van je af, naar je toe

Zoals reeds besproken hebben mensen de neiging om positieve dingen te benaderen en negatieve dingen te vermijden. Wij wilden dit ook testen voor vooroordelen: zouden mensen met relatief veel vooroordelen sneller zijn in het vermijden van mensen van de andere groep? Deelnemers aan ons onderzoek moesten een joystick naar zich toe trekken of juist wegduwen bij het zien van Nederlandse of Marokkaanse namen. Inderdaad: hoe meer vooroordelen mensen hadden, des te sneller ging het wegduwen van Marokkaanse namen.

De volgende vraag was of het herhaaldelijk maken van toenaderingsbewegingen dan vooroordelen en vermijdingsgedrag richting de andere groep zou kunnen verminderen. In Amerikaans onderzoek werden hiervoor in 2007 eerste aanwijzingen gevonden (Kawakami, Phills, Steele, & Dovidio, 2007). Blanke deelnemers werden getraind om met een joystick herhaaldelijk foto’s van zwarte gezichten naar zich toe te halen, of juist van zich af te duwen. Na deze training werden vooroordelen gemeten. Mensen die zwarte gezichten naar zich toe hadden gehaald hadden minder vooroordelen dan mensen die de gezichten hadden weggeduwd.  

In ons onderzoek wilden we testen welk effect zo’n ‘toenaderingstraining’ zou hebben op vermijdingsgedrag. Wij lieten de helft van de proefpersonen de joystick naar zich toe halen bij foto’s van Marokkaanse mannen en wegduwen bij foto’s van objecten. De andere helft werd gevraagd precies het omgekeerde te doen. Na deze training moest iedere proefpersoon even wachten in een ruimte waar een jas en tas lagen – zogenaamd van 'de proefpersoon vóór hen'. Van deze persoon hadden onze deelnemers aan het begin van het experiment een foto en naam gezien, waaruit duidelijk zijn Marokkaanse achtergrond bleek. We concludeerden in dit experiment dat deelnemers met relatief veel vooroordelen, die getraind waren om toenaderingsbewegingen te maken bij Marokkaanse gezichten, dichterbij de stoel met de spullen van de Marokkaanse jongen gingen zitten. Vergelijkbare proefpersonen uit de ‘wegduwgroep’ hielden meer afstand. Naast de invloed op vooroordelen, kunnen bewegingen dus ook vermijdingsgedrag richting leden van andere groepen beïnvloeden. Bewegingen van toenadering zorgen ervoor dat mensen met relatief veel vooroordelen dichterbij een persoon van de andere groep gaan zitten. Er zijn aanwijzingen dat deze effecten met name optreden bij vrouwen, iets waar ik bij de bespreking van het volgende onderzoek op terug zal komen.

Vooroordelen in het donker

We onderzochten naast bewegingen ook of omgevingsfactoren invloed hebben op vooroordelen. Volgens theorieën van belichaamde cognitie zou de omgeving waarin we ons bevinden namelijk ook moeten bepalen hoe we de wereld om ons heen waarnemen. Omgevingen roepen bepaalde emoties op en wij wilden testen of vooroordelen versterkt worden in een omgeving die past bij de emotie die mensen ook bij de groep ervaren. Uit eerder onderzoek bleek dat mensen van Marokkaanse afkomst angst kunnen oproepen. Zou een omgeving die ook kan leiden tot gevoelens van angst – zoals een donkere ruimte – de vooroordelen over Marokkanen versterken?

Om dit te onderzoeken lieten we onze deelnemers plaatsnemen in een ruimte die ofwel donker was ofwel normaal verlicht. In deze ruimte testten we hun vooroordelen. Met name vrouwen reageerden in een donkere ruimte angstiger op Marokkanen dan in een normaal verlichte ruimte. Voor mannen vonden we dit effect niet. Echter, net als bij het onderzoek naar effecten van toenaderingsbewegingen hadden we onvoldoende mannelijke proefpersonen om vast te stellen wat er bij hen precies gebeurt. Wel is er eerder onderzoek dat laat zien dat vooroordelen met name bij vrouwen op angst en vermijding gebaseerd zijn (Navarrete, McDonald, Molina, & Sidanius, 2010). Dit past bij onze bevindingen, maar toekomstig onderzoek moet daar meer inzicht in bieden.

Ook belangrijk om te vermelden is dat de effecten van duisternis op vooroordelen subtiel zijn. We moesten in ons onderzoek eerst bij deelnemers gevoelens van angst voor Marokkanen activeren en onze meting van vooroordelen bevatte ook enge plaatjes. Wellicht dat duisternis in een gecontroleerde labomgeving niet erg veel angst oproept. Vervolgonderzoek is nodig om meer inzicht te verkrijgen in effecten van duisternis op vooroordelen.

Conclusie en verder onderzoek

In dit stuk heb ik besproken hoe het lichaam en de omgeving invloed kunnen hebben op de uiting van vooroordelen. Concluderend gezegd kan een donkere omgeving vooroordelen richting Marokkanen versterken, terwijl positieve bewegingen als toenadering en knikken met het hoofd vooroordelen kunnen verminderen. Kunnen vooroordelen dan bestreden worden door het licht aan te doen en mensen maar flink veel toenaderingsbewegingen te laten maken en ja te laten knikken? Helaas zal de oplossing niet zo simpel zijn. Wel draagt dit onderzoek bij aan de kennis over hoe vooroordelen je gedrag kunnen beïnvloeden én hoe je gedrag je vooroordelen kan beïnvloeden.

Dit onderzoek en theorieën van belichaamde cognitie laten zien hoe belangrijk de lichamelijke ervaringen van mensen zijn bij de ontwikkeling van gevoelens en gedachten. Positieve bewegingen kunnen daarbij een positieve invloed hebben, maar een negatieve ervaring of een negatief bericht over een bepaalde groep kan deze positieve effecten waarschijnlijk ook weer tenietdoen. We hebben de effecten van bewegingen nu alleen op korte termijn getest. De vraag is hoeveel herhaling er nodig is om uiteindelijk ook op langere termijn effecten teweeg te brengen.

Mensen willen over het algemeen graag onbevooroordeeld overkomen en zullen niet altijd toegeven negatieve gevoelens te ervaren bij andere groepen. Ook zijn mensen zich niet altijd bewust van de vooroordelen die ze hebben (Greenwald & Banaji, 1995) of zijn zich niet bewust van de oorsprong en invloed van hun vooroordelen (Gawronski & Bodenhausen, 2006). Dat deze invloeden op vooroordelen subtiel kunnen zijn blijkt uit de onderzoeken die ik in dit stuk heb besproken. Dit bekent overigens niet dat deze processen geen invloed op ons kunnen hebben in het dagelijks leven. Een interessante demonstratie komt uit Amerikaans onderzoek naar de invloed van televisie op vooroordelen (Weisbuch, Pauker, & Ambady, 2009). Zij lieten zien dat de negatieve non-verbale gedragingen van blanke acteurs richting zwarte tegenspelers bij de kijkers van de tv-show tot meer vooroordelen leidden. Niet alleen ons eigen gedrag, maar ook het gedrag van anderen lijkt dus op subtiele wijze onze vooroordelen te kunnen beïnvloeden.  

Alfabetische literatuurlijst

  • Andersen, S. M., Reznik, I., & Manzella, L. M. (1996). Eliciting facial affect, motivation and expectancies in transference: Significant-other representations in social relations. Journal of Personality and Social Psychology, 71, 1108-1129.
  • Barsalou, L. W. (1999). Perceptual symbol systems. Behavioral and Brain Sciences, 22, 577-660.
  • Brown, R. (1995). Prejudice. Malden, MA: Blackwell Publishers Inc.
  • Cartwright, D. (1979). Contemporary social psychology in historical perspective. Social Psychology Quarterly, 42, 82-93.
  • Chen, M., & Bargh, J. A. (1999). Consequences of automatic evaluation: Immediate behavioral predispositions to approach or avoid the stimulus. Personality and Social Psychology Bulletin, 25, 215-224.
  • Dotsch, R., & Wigboldus, D. H. J. (2008). Virtual prejudice. Journal of Experimental Social Psychology, 44, 1194-1198.
  • Dovidio, J. F., Kawakami, K., & Gaertner, S. L. (2002). Implicit and explicit prejudice and interracial interaction. Journal of Personality and Social Psychology, 82, 62-68.
  • Gawronski, B., & Bodenhausen, G. V. (2006). Associative and propositional processes in evaluation: An integrative review of implicit and explicit attitude change. Psychological Bulletin, 132, 692-731.
  • Greenwald, A. G., & Banaji, M. R. (1995). Implicit social cognition: attitudes, self-esteem, and stereotypes. Psychological Review, 102, 4-27.
  • Greenwald, A. G., McGhee, D. E., & Schwartz, J. L. K. (1998). Measuring individual differences in implicit cognition: The implicit association task. Journal of Personality and Social Psychology, 74, 1464–1480.
  • Kawakami, K., Phills, C. E., Steele, J. R., & Dovidio, J. F. (2007). (Close) distance makes the heart grow fonder: improving implicit racial attitudes and interracial interactions through approach behaviors. Journal of Personality and Social Psychology, 92, 957-971.
  • Navarrete, C. D., McDonald, M. M., Molina, L. E., & Sidanius, J. (2010). Prejudice at the nexus of race and gender: An out-group male target hypothesis. Journal of Personality and Social Psychology, 98, 933-945.
  • Niedenthal, P. M. (2007). Embodying emotion. Science, 316, 1002-1005.
  • Niedenthal, P. M., Barsalou, L. W., Winkielman, P., Krauth-Gruber, S., & Ric, F. (2005). Embodiment in attitudes, social perception and emotion. Personality and Social Psychology Review, 9, 184-211.
  • Strack, F., Martin, L. L., & Stepper, S. (1988). Inhibiting and facilitating conditions of the human smile: A nonobtrusive test of the facial feedback hypothesis. Journal of Personality and Social Psychology, 54, 768-777.
  • Tom, G., Pettersen, P., Lau, T., Burton, T., & Cook, J. (1991). The role over overt head movement in the formation of affect. Basic and Applied Social Psychology, 12, 281-289.
  • Weisbuch, M., Pauker, K., & Ambady, N. (2009). The Subtle Transmission of Race Bias via Televised Nonverbal Behavior. Science, 326, 1711-1714.
  • Wennekers, A. M. (2013). Embodiment of prejudice: The role of the environment and bodily states. (proefschrift). Radboud Universiteit Nijmegen.
  • Wennekers, A. M., Holland, R. W., Wigboldus, D. H. J., & Van Knippenberg, A. (2012). First see, then nod! The role of temporal contiguity in the effect of head nodding in embodied evaluative conditioning of social attitudes. Social Psychological and Personality Science, 3, 455-461.

Auteur(s) van het artikel

Facebook