Ooggetuigen en het geheugen: waarom herinneringen geen opnames zijn

Afbeelding van https://www.pexels.com/nl-nl/foto/meisje-zitten-tafel-staand-9786070/ 

 

Veel mensen denken dat herinneringen werken als een camera: gebeurtenissen worden opgeslagen en kunnen later opnieuw worden afgespeeld. Maar uit psychologisch onderzoek blijkt dat ons geheugen heel anders werkt. Herinneringen zijn geen exacte opnames van het verleden, maar worden telkens opnieuw opgebouwd uit verschillende stukjes informatie.

Dat idee staat centraal in decennia aan geheugenonderzoek. Volgens cognitief psycholoog Daniel Schacter (1999) is het geheugen geen passief archief, maar een dynamisch systeem dat voortdurend informatie selecteert, interpreteert en reconstrueert. Dat maakt ons geheugen flexibel en efficiënt, maar ook vatbaar voor fouten.

Het geheugen als reconstructie

Wanneer we ons een gebeurtenis herinneren, halen we niet simpelweg een opgeslagen bestand op. In plaats daarvan reconstrueren we wat er gebeurde op basis van fragmenten van de oorspronkelijke ervaring, aangevuld met kennis, verwachtingen en informatie die we later hebben opgedaan.

Meestal werkt dat verrassend goed. Toch kunnen details onderweg verloren gaan of veranderen. We vullen gaten op zonder dat we ons daarvan bewust zijn. Daardoor kunnen herinneringen na verloop van tijd afwijken van wat er werkelijk gebeurde.

Een van de bekendste onderzoekers op dit gebied is Elizabeth Loftus. In meer dan dertig jaar onderzoek liet zij zien hoe gemakkelijk herinneringen beïnvloed kunnen worden door informatie die pas na een gebeurtenis wordt aangeboden (Loftus, 2005). Haar werk suggereert dat herinneringen niet alleen vervagen, maar soms ook daadwerkelijk worden aangepast.

Een klassiek voorbeeld komt uit een experiment van Loftus en Palmer (1974). Deelnemers bekeken identieke beelden van een verkeersongeval en kregen vervolgens vragen over wat ze hadden gezien. Alleen al het werkwoord in de vraag bleek van belang. Mensen die gevraagd werden hoe snel de auto's reden toen ze tegen elkaar "knalden" meenden zich te herinneren dat de auto’s sneller reden dan deelnemers die het neutralere werkwoord "raakten" kregen voorgeschoteld. Een kleine verandering in taal bleek voldoende om de herinnering aan de gebeurtenis te beïnvloeden.

Waarom ooggetuigen fouten maken

Deze inzichten zijn bijzonder belangrijk in de forensische psychologie. Ooggetuigenverklaringen kunnen een grote rol spelen in strafzaken, maar onderzoek toont aan dat ze niet altijd zo betrouwbaar zijn als we graag zouden denken.

Een belangrijke reden is dat misdrijven vaak plaatsvinden onder stressvolle omstandigheden. Wanneer we bang zijn of onder druk staan, vernauwt onze aandacht zich. We richten ons op wat op dat moment het meest bedreigend of opvallend lijkt.

Bij een gewapende overval kijken mensen bijvoorbeeld vaak vooral naar het wapen. Daardoor onthouden ze minder details van het gezicht, de kleding of andere kenmerken van de dader. Psychologen noemen dit het weapon focus effect. Een meta-analyse van Steblay (1992), waarin resultaten uit verschillende studies werden samengebracht, liet zien dat de aanwezigheid van een wapen inderdaad samenhangt met een minder nauwkeurige herinnering aan andere aspecten van de situatie.

Bovendien is het niet per se het wapen zelf, maar vooral de onverwachtheid en dreiging hiervan die een rol spelen in dit effect (Pickel, 1998). Wat onze aandacht trekt, bepaalt immers deels wat wordt opgeslagen in het geheugen.

De invloed van suggestie

Ook nadat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden, kan een herinnering veranderen. Gesprekken met andere getuigen, nieuwsberichten of vragen van onderzoekers kunnen onbedoeld nieuwe informatie toevoegen.

Dat fenomeen staat bekend als het misinformation effect en vormt een van de meest robuuste bevindingen binnen het geheugenonderzoek (Loftus, 2005). Mensen nemen soms nieuwe informatie op in hun herinnering zonder zich daarvan bewust te zijn. De aangepaste herinnering voelt vervolgens even echt aan als de oorspronkelijke.

Voor onderzoekers en politie betekent dit dat de manier waarop vragen worden gesteld van groot belang is. Kleine verschillen in formulering kunnen soms onverwachte gevolgen hebben voor wat mensen later rapporteren.

Zeker zijn betekent niet gelijk hebben

Misschien wel het meest verrassende inzicht is dat vertrouwen en nauwkeurigheid niet hetzelfde zijn. Iemand kan zeer overtuigd zijn van een herinnering die gedeeltelijk of zelfs volledig onjuist is.

Dat komt omdat we vaak afgaan op hoe levendig of overtuigend een herinnering aanvoelt. Maar een sterke overtuiging is geen garantie voor juistheid. Onderzoek naar ooggetuigenbewijs heeft herhaaldelijk aangetoond dat zelf vertrouwen slechts beperkt samenhangt met de werkelijke accuraatheid van herinneringen (Wells et al., 2006).

Dit maakt ooggetuigenverklaringen niet waardeloos. Integendeel: ze kunnen belangrijke aanwijzingen opleveren en soms cruciale informatie bevatten. Wel benadrukken onderzoekers dat dergelijke verklaringen zorgvuldig moeten worden verzameld en idealiter ondersteund moeten worden door andere bewijsmiddelen (Wells et al., 2006).

Een bescheiden les over onszelf

De wetenschap van het geheugen leert ons iets fundamenteels over hoe we naar onze eigen herinneringen moeten kijken. Ons geheugen is geen objectieve camera die de werkelijkheid registreert. Het is een actief systeem dat voortdurend betekenis geeft aan onze ervaringen (Schacter, 1999).

Dat werkt meestal uitstekend. Maar het betekent ook dat we soms minder zeker zouden moeten zijn van wat we denken te weten.

De volgende keer dat je absoluut overtuigd bent van wat er gebeurde tijdens een discussie, een vergadering of een andere gebeurtenis, is het misschien de moeite waard om jezelf één vraag te stellen: herinner ik me wat er echt gebeurde of herinner ik me het verhaal dat mijn brein er achteraf van heeft gemaakt?

Referenties

Loftus, E. F. (2005). Planting misinformation in the human mind: A 30-year investigation of the malleability of memory. Learning & Memory, 12(4), 361–366. https://doi.org/10.1101/lm.94705

Loftus, E. F., & Palmer, J. C. (1974). Reconstruction of automobile destruction: An example of the interaction between language and memory. Journal of Verbal Learning and Verbal Behavior, 13(5), 585–589. https://doi.org/10.1016/S0022-5371(74)80011-3

Pickel, K. L. (1998). Unusualness and threat as possible causes of the weapon focus effect. Memory, 6(3), 277–295. https://doi.org/10.1080/741942361 

Schacter, D. L. (1999). The seven sins of memory: Insights from psychology and cognitive neuroscience. American Psychologist, 54(3), 182–203. https://doi.org/10.1037/0003-066X.54.3.182

Steblay, N. M. (1992). A meta-analytic review of the weapon focus effect. Law and Human Behavior, 16(4), 413–424. https://doi.org/10.1007/BF02352267

Wells, G. L., Memon, A., & Penrod, S. D. (2006). Eyewitness evidence: Improving its probative value. Psychological Science in the Public Interest, 7(2), 45–75. https://doi.org/10.1111/j.1529-1006.2006.00027.x

 

Auteur(s) van het artikel

steekwoorden van artikel

Facebook