Hoe piekeren het lichaam beïnvloedt

Mensen die piekeren zijn eerder geneigd om te blijven hangen in negatieve gedachten en gevoelens, vooral wanneer ze gestrest zijn. Eerder onderzoek keek daarom naar wat er mentaal gebeurt als je piekert, zoals verhoogde aandacht voor negatieve informatie. Piekeren gaat echter ook gepaard met een breed scala aan lichamelijke klachten, zoals hoge bloeddruk, pijn en chronische vermoeidheid. Hoe heeft piekeren invloed op de manier waarop mensen hun lichaam waarnemen?

Stel je voor, jouw baas vertelt je dat het werk dat je zojuist hebt afgemaakt helemaal niets waard is. Hoe zou je dan spontaan reageren? Zou je er redelijk makkelijk overheen komen, of zou je er nog tot laat ‘s avonds over nadenken en je gedachten hierover niet los kunnen laten? Als je eerder geneigd bent om op dergelijke vragen voor het tweede antwoord te kiezen dan ben je waarschijnlijk een piekeraar (Kuhl, 1981).

Person looking worried with their hands covering part of their face

Afbeelding van https://shenews.nl/piekeren-ook-slecht-voor-je-lijf/

Wat is piekeren?

Vrijwel iedereen piekert weleens. Dat is ook goed, want af en toe piekeren over gebeurtenissen in het leven helpt om jezelf verder te ontwikkelen (Trapnell & Campbell, 1999). Sommige mensen piekeren echter vaker dan anderen. Mensen met een hogere neiging tot piekeren (of simpelweg 'piekeraars') blijven in negatieve gedachten en gevoelens hangen wanneer ze stress ervaren. Piekeraars vinden het moeilijk om negatieve gedachten en gevoelens uit hun hoofd te zetten. Door deze individuele kenmerken wordt piekeren als een persoonlijkheidseigenschap beschouwd (Hoeksema, 1991, 2004). Piekeren is namelijk een coping-mechanisme (de manier waarop iemand met problemen en stress omgaat) voor het omgaan met stress die mensen al vroeg in hun leven aanleren (Kuhl, 1981). Mensen piekeren daarnaast in allerlei situaties, bijvoorbeeld als reactie op stressvolle gebeurtenissen, negatieve gevoelens of depressieve stemming. In de wetenschappelijke literatuur zijn daarom verschillende onderzoeksstromingen over piekeren ontstaan, die theoretisch echter overlappen (Smith & Alloy, 2009; Watkins & Nolen-Hoeksema, 2014).

In alle onderzoeksstromingen werd namelijk gevonden dat piekeren een belangrijke voorspeller van verschillende psychologische ziektes isdie verband houden met emotionele problemen (Aldao & Nolen-Hoeksema, 2010; Ehring & Watkins, 2008), waaronder depressie, angst, eetstoornissen en middelenmisbruik (Mor & Winquist, 2002; Watkins et al., 2011). Bovendien voorspelt piekeren psychologische problemen beter dan andere veel gebruikte emotieregulatie strategieën (het adequaat omgaan met emoties en het kunnen uiten van emoties), zoals vermijden, onderdrukken of herbeleven (Aldao, Nolen-Hoeksema, & Schweizer, 2010).

Piekeren als “hoofd” probleem

Tot op heden is piekeren vooral opgevat als een mentaal proces dat zich volledig 'tussen de oren' afspeelt. Onderzoek naar piekeren ging daarom grotendeels in op het verschil tussen piekeraars en niet-piekeraars bij de mentale verwerking van stressprikkels die van buitenaf komen (Nolen-Hoeksema, 1991; Nolen-Hoeksema, Wisco, & Lybomirsky, 2008; Koster, De Lissnyder, Derakhshan, & De Raedt, 2011). Zo hebben piekeraars meer moeite om hun aandacht af te leiden van negatieve informatie dan niet-piekeraars. Piekerraars waren bijvoorbeeld langzamer in het lezen van een negatief beladen tekst dan in het lezen van neutrale of positieve teksten (Fang, Sanchez-Lopez, & Koster, 2018). Piekeraars zijn ook langzamer in het wisselen van hun aandacht tussen negatieve en neutrale informatie, zoals wanneer zij boze en neutrale gezichten zien, ten opzichte van niet-piekeraars (Koster, De Lissnyder, & De Readt, 2013). Daarnaast gaat piekeren gepaard met verminderde werkgeheugen capaciteiten (een tijdelijke opslagplaats van taak-relevante informatie in de hersenen) wanneer ze negatieve emoties moeten verwerken (Joorman, Levens, & Gotlib, 2011). 

Piekeren en het lichaam

Zowel klassieke als moderne emotietheorieën stellen dat het waarnemen van eigen lichamelijke signalen een sleutelrol speelt in het verwerken van emoties zoals boosheid, triestheid of blijdschap. William James (1884) zei bijvoorbeeld al dat emoties ontstaan door de waarneming van lichamelijke reacties. Moderne emotietheoretici zeggen dat lichamelijke markers (fysiologische reacties zoals het verstrakken van de spieren, het krijgen van kippenvel of vochtige handen, die aan bepaalde emotionele gebeurtenissen zijn gekoppeld) onderbuikgevoelens genereren die gezonde besluitvorming ondersteunen (Damasio, 1994). Wetenschappers hebben daarnaast ook gezegd dat emoties voortvloeien uit het bewustzijn van mensen van hun eigen lichamelijkestaat, die worden vertegenwoordigd in specifieke hersennetwerken (Feldman-Barrett, 2017).

Klinische observaties en wetenschappelijke studies wijzen uit dat er een relatie is tussen piekeren en lichamelijke gezondheidsklachten, zoals verhoogde bloeddruk, eet- en slaapproblemen en chronische vermoeidheid (Verkuil, Brosschot, Gebhardt, & Thayer, 2010). Ondanks deze bevindingen staat onderzoek naar de wisselwerking tussen piekeren en het lichaam nog in de kinderschoenen. Het is daarom van belang om na te gaan of en hoe piekeren lichamelijke waarneming en gevoelens kan beïnvloeden. In een reeks recente onderzoeken is geprobeerd om hier meer duidelijkheid in te krijgen. Specifiek keken we hoe verschillende vormen van stress ertoe kunnen leiden dat piekeraars vervreemd raken van hun eigen lichaam, lichamelijke sensaties en gevoelens.

Ten eerste, onderzochten we het verband tussen piekeren en stress op de waarneming van eigen lichaamssignalen, zoals bijvoorbeeld hartslag (Schlinkert, Herbert, Baumann, & Koole, onder review). De verwachting was dat piekeraars waakzamer zouden zijn op hun lichaamssignalen onder stressvolle omstandigheden omdat piekeraars onder stress meer bezig zijn met de precieze waarneming hiervan. Mensen werden eerst gevraagd om een vragenlijst in te vullen over hun eigen manier van omgaan met stress. Dus of ze op stress eerder reageren met piekeren of dat ze stress makkelijk van zich af kunnen zetten. Om milde stress op te wekken werden mensen tevens gevraagd om een verplichting heel precies te plannen die ze in de komende twee weken zouden moeten doen (de controle groep werd gevraagd om een plezierige activiteit te plannen). Uit eerder onderzoek was namelijk al gebleken dat doelmatige plannen maken ervoor zorgt dat mensen er meer over na gaan denken (Gollwitzer & Sheeran, 2006). Vervolgens kregen mensen een vragenlijst over lichaamswaarneming (studie 1) of ze werden gevraagd om hun hartslag voor korte periodes te tellen. Deze hartslagwaarnemingen vergeleken we met de echte hartslag om te kijken hoe accuraat mensen waren in het waarnemen van hun eigen hartslag (studie 2).

In overeenstemming met de verwachtingen vonden we dat na het opwekken van milde stress, piekeraars meer bewustzijn van lichaamssignalen rapporteerden – zoals ‘ik voel mijn hart kloppen’, en ze waren ook beter in het detecteren van hun eigen hartslag. Wanner mensen geen stress ervaarden, was er geen verband tussen piekeren en de waarneming van interne lichaamssignalen.

Ten tweede onderzochten we hoe de combinatie van piekeren en stress ertoe kan leiden dat mensen hun natuurlijke behoefte voor voedsel negeren (Schlinkert & Koole, 2017). Stress duidde in dit geval  op het onderdrukken van innerlijke behoeftes en gevoelens zoals honger, pijn of vermoeidheid. Het idee was dat piekeraars meer moeite hebben om onderdrukkingsstress uit te schakelen, wat kan leiden tot verstoorde eetlust. In het algemeen geven mensen de voorkeur aan calorierijk voedsel wanneer ze een tijdje niet hebben gegeten. In deze studies werd piekeren op dezelfde manier gemeten als in de eerdere studies. Stress werd hier op twee verschillende manieren opgewekt. Een keer zoals in de eerdere studies en de tweede keer werden mensen gevraagd om een kleurrijk schilderij nauwkeurig te beschrijven zonder kleurwoorden of omschrijvende woorden zoals ‘rood’ en ‘tomaat’ te gebruiken. Het idee achter deze kleur onderdrukkingstaak is dat mensen zich moeten inhouden en dat dat vervolgens  van invloed is op de volgende taken (Wegner & Zanakos, 1994). Na deze stressopwekkende taken kregen mensen kaascrackers te eten. We kozen voor kaascrackers omdat deze veel calorieën bevatten, maar niet per se als heel erg ongezond worden ervaren zoals bijvoorbeeld M&M’s of chocolade. Mensen werd gevraagd om aan te geven hoe lekker ze de kaascrackers vonden. Achteraf werd dan geteld hoeveel kaascrackers proefpersonen uiteindelijk hadden gegeten.

Na het uitvoeren van een stressvolle taak (verplichting plannen of kleurwoorden niet gebruiken) aten piekeraars, vergeleken met niet-piekeraars, inderdaad minder calorierijk voedsel (i.e., kaas crackers) als ze honger hadden. Piekeraars lijken dus bijzonder kwetsbaar voor verstorende effecten van stress op hun gezonde, natuurlijke behoefte aan voedsel.

Ten derde keken we naar de gezamenlijke invloed van piekeren en stress op de beleving van vitaliteit (Schlinkert & Koole, 2018). Vitaliteit verwijst naar het gevoel levend en vol energie te zijn. Vitaliteit wordt gezien als een universele menselijke ervaring die ook in het lichaam gegrond is. Eerder onderzoek wees al uit dat vitaliteit kan afnemen naar mate mensen meer stress ervaren (Ryan & Deci, 2000). Voortbouwend op dit idee verwachten we dat stress alleen bij piekeraars samenhangt met verminderde lichaamsvitaliteit, omdat deze mensen sneller last zullen hebben van lichamelijke vermoeidheid onder stress. Dit werd onderzocht met dezelfde methoden om piekeren te meten en stress te induceren als in de eerdere studies (i.e., een verplichting plannen). Daarnaast vroegen we mensen hoeveel levensdruk zij op dit moment ervaarden. Lichaamsvitaliteit werd met behulp van een vragenlijst gemeten waarbij mensen moesten aangeven hoeveel lichaamsenergie, hoe lichamelijk fit of hoe lichamelijk sterk zij zich voelden. Bij piekeraars werd in deze studies inderdaad het ervaren van hogere levensdruk in verband gebracht met een afname van lichaamsvitaliteit ten opzichte van niet-piekeraars. Het induceren van milde stress in een experimentele setting resulteerde eveneens in lagere ervaring van lichaamsvitaliteit bij piekeraars, vergeleken met niet-piekeraars.

Conclusie

De recente onderzoeken laten dus zien dat stressvolle omstandigheden ertoe kunnen leiden dat piekeraars van hun lichaam vervreemd raken. Dit blijkt uit hun verhoogde perceptie van interne lichaamssignalen, verstoorde eetlust en verminderde lichaamsvitaliteit. Deze bevindingen schetsen daarom een nieuw beeld over piekeren. Piekeren blijkt niet alleen tussen de oren te zitten, maar piekeren is ook van invloed op het lichaamsgevoel en lichamelijk welzijn. Praktisch betekent dit dat therapieën er goed aan doen om zich ook te richten op de manier waarop mensen hun lichaam ervaren  en hoe ze erover praten. Een slechte waarneming van lichamelijke behoeftes, sensaties en toestanden kan al duiden op hoe mensen er mentaal aan toe zijn. Bovendien zou het behandelen van slechte lichaamswaarneming ervoor kunnen zorgen dat chronische psychosomatische klachten beter voorkomen kunnen worden. Iedereen die zich niet helemaal lekker voelt in zijn lichaam kan echter ook gewoon zelf aan de slag. Het is namelijk gebleken dat beweging en meditatie, zoals bijvoorbeeld ademhalingsoefeningen, maar ook afspreken met goede relaties kan helpen om je in het geheel, mentaal en lichamelijk, beter te voelen.

Referenties

Aldao, A., & Nolen-Hoeksema, S. (2010). Specificity of cognitive emotion regulation strategies: A transdiagnostic examination. Behaviour Research and Therapy, 48(10), 974-983.

Aldao, A., Nolen-Hoeksema, S., & Schweizer, S. (2010). Emotion-regulation strategies across psychopathology: A meta-analytic review. Clinical Psychology Review, 30(2), 217-237.

Damasio, A. R. (1994). Descartes’ error and the future of human life. Scientific American, 271(4), 144. http://www.ncbi.nlm.nih.gov/pubmed/7939563

Ehring, T., & Watkins, E. R. (2008). Repetitive negative thinking as a transdiagnostic process. International Journal of Cognitive Therapy, 1(3), 192-205.

Fang, L., Sanchez-Lopez, A., & Koster, E. H. (2018). Attentional scope, rumination, and processing of emotional information: An eye-tracking study. Emotion.

Feldman-Barrett, L. (2017). The theory of constructed emotion: an active inference account of interoception and categorization. Social cognitive and affective neuroscience, 12(1), 1-23. https://doi.org/10.1093/scan/nsw154

Gollwitzer, P. M., & Sheeran, P. (2006). Implementation intentions and goal achievement: A metaanalysis of effects and processes. Advances in Experimental Social Psychology, 38, 69-119.

James, W. (1884). What is an emotion?. Mind, 9(34), 188-205.

Joormann, J., Levens, S. M., & Gotlib, I. H. (2011). Sticky thoughts: Depression and rumination are associated with difficulties manipulating emotional material in working memory. Psychological Science, 22(8), 979-983.

Koster, E. H., De Lissnyder, E., & De Raedt, R. (2013). Rumination is characterized by valence-specific impairments in switching of attention. Acta Psychologica, 144(3), 563-570.

Koster, E. H., De Lissnyder, E., Derakshan, N., & De Raedt, R. (2011). Understanding depressive rumination from a cognitive science perspective: The impaired disengagement hypothesis. Clinical Psychology Review, 31(1), 138-145. https://doi.org/10.1016/j.cpr.2010.08.005

Kuhl, J. (1981). Motivational and functional helplessness: The moderating effect of state versus action orientation. Journal of Personality and Social Psychology, 40(1), 155–170. https://doi.org/10.1037/0022-3514.40.1.155

Mor, N., & Winquist, J. (2002). Self-focused attention and negative affect: A meta-analysis. Psychological Bulletin, 128(4), 638–662. https://doi.org/10.1037/0033-2909.128.4.638

Nolen-Hoeksema, S. (2004). The response styles theory. In C. Papageorgiou & A. Wells (Eds.), Depressive rumination: Nature, theory, and treatment of negative thinking in depression (pp. 107–123). New York: Wiley.

Nolen-Hoeksema, S., & Morrow, J. (1991). A prospective study of depression and posttraumatic stress symptoms after a natural disaster: The 1989 Loma Prieta Earthquake. Journal of Personality and Social Psychology, 61(1), 115-121. http://dx.doi.org/10.1037/0022-3514.61.1.115

Nolen-Hoeksema, S., Wisco, B. E., & Lyubomirsky, S. (2008). Rethinking rumination. Perspectives on Psychological Science, 3(5), 400–424. https://doi.org/10.1111/j.1745-6924.2008.00088.x

Ryan, R. M., & Deci, E. L. (2000). Self-determination theory and the facilitation of intrinsic motivation, social development, and well-being. American Psychologist, 55(1), 68.

Schlinkert, C., & Koole, S. L. (2017). Self restraint spillover: Inhibitory control disrupts appetite regulation among ruminators. Journal of Personality, 86(5), 825-840. https://doi.org/10.1111/jopy.12357

Schlinkert, C., & Koole, S. L. (2018). Dealing with life demands: Action-state orientation moderates the relation between demanding conditions and drops in body vitality. Motivation Science, 4(2), 118-136. http://dx.doi.org/10.1037/mot0000078

Smith, J. M., & Alloy, L. B. (2009). A roadmap to rumination: A review of the definition, assessment, and conceptualization of this multifaceted construct. Clinical Psychology Review, 29(2), 116-128.

Trapnell, P. D., & Campbell, J. D. (1999). Private self-consciousness and the five factor model of personality: distinguishing rumination from reflection. Journal of Personality and Social Psychology, 76(2), 284.

Verkuil, B., Brosschot, J. F., Gebhardt, W. A., & Thayer, J. F. (2011). Perseverative cognition, psychopathology, and somatic health. In Emotion regulation and well-being (pp. 85-100). Springer, New York, NY.

Wegner, D. M., & Zanakos, S. (1994). Chronic thought suppression. Journal of Personality, 62(4), 615-640.

Watkins, E. R., & Nolen-Hoeksema, S. (2014). A habit-goal framework of depressive rumination. Journal of Abnormal Psychology, 123(1), 24.

Watkins, E. R., Mullan, E., Wingrove, J., Rimes, K., Steiner, H., Bathurst, N., ... & Scott, J. (2011). Rumination-focused cognitive–behavioural therapy for residual depression: Phase II randomised controlled trial. The British Journal of Psychiatry, 199(4), 317-322.

Auteur(s) van het artikel

Facebook