De Kunst van het Gemotiveerd Vergeten

Een heftige ruzie met een goede vriend, het voorbijgaan van een relatie of het overlijden van een dierbare door een vreselijk ongeluk; slechts een greep uit de gebeurtenissen die de meeste mensen het liefst zouden willen vergeten, of in ieder geval de pijnlijke details. Maar kunnen we onze eigen herinneringen doelbewust vergeten, ook als ze traumatisch zijn?

Afbeeldinghttps://unsplash.com/photos/22ikHjykXg4

 

Introductie

Als we praten over ‘vergeten’, dan wordt dat snel bestempeld als iets negatiefs. Vergeten betekent immers dat je iets niet meer kunt herinneren wat je voorheen wel kon. Dat vinden we vaak frustrerend. Maar die negatieve interpretatie van vergeten is, in ieder geval deels, onterecht. Vergeten dient namelijk een belangrijk doel: het zorgt ervoor dat we niet alles onthouden wat we ooit hebben meegemaakt. Sterker nog, te veel onthouden is niet zaligmakend. Een intrigerende casus is die van AJ (Parker et al., 2006). Zij kan een bijzonder grote hoeveelheid persoonlijke herinneringen moeiteloos uit haar geheugen ophalen. En dat is ook het probleem. Iedere herinnering die zij ophaalt, zet automatisch het ophalen van een gerelateerde herinnering in gang; een niet te stoppen kettingreactie aan herinneringen. Het is dan ook niet voor niets dat zij haar goede geheugen als belastend en vermoeiend omschrijft. AJ is niet uniek; er zijn meer mensen zoals zij (zoals Luria, 1968).

Kenmerkend voor mensen met een bijzonder goed geheugen is dat zij tot op zekere hoogte obsessief bezig zijn met hun geheugen (LePort et al., 2012; 2016). Dit laat zien dat een bepaalde mate van vergeten zinvol en adaptief is. Dat idee is overigens niet nieuw (James, 1890; Nietzsche, 1873–1876/1998). Vergeten beschermt ons en zorgt ervoor dat we ons niet naar blijven voelen bij alle vervelende gebeurtenissen uit ons leven, zoals het uitgaan van een jeugdliefde of een pestervaring tijdens de puberteit. Vergeten helpt het leven te organiseren door overbodige, onnodige informatie te verwijderen uit het geheugen, zoals alle plekken waar je ooit je auto hebt geparkeerd of alle oude wachtwoorden voor je online gegevens (Fawcett & Hulbert, 2020; Nørby, 2015).

Verklarende mechanismen voor vergeten

Er zijn enkele belangrijke theorieën over waarom mensen vergeten. Verval is één van deze verklaringen (Brown, 1958). Een persoon vergeet simpelweg omdat het geheugen na verloop van tijd achteruitgaat, onder andere doordat zenuwcellen met het ouder worden afsterven. Een tweede verklaring is dat herinneringen met elkaar interfereren. Nieuwe herinneringen tasten oude herinneringen aan of andersom (Underwood, 1957). Het doorgeven van je nieuwe woonadres kort na je verhuizing resulteert er vaak in dat het oude adres in gedachten opkomt. Dat is niet verwonderlijk; de oude herinnering is veel herhaald en dus sterk opgeslagen. Maar na jaren wonen op het nieuwe adres is de kans groot dat je het oude adres langzaam vergeet, of dat het in ieder geval moeilijker te herinneren is, omdat je het nieuwe adres nu vaak gebruikt. Een derde verklaring voor het fenomeen vergeten is verandering in (externe of interne) context (Sahakyan & Kelley, 2002). Doordat je niet meer naar de tuin van je vorige huis kan gaan, is het moeilijker om verjaardagen en feestjes te herinneren die zich daar afspeelden. Door het wegvallen van aanwijzingen of cues die helpen bij het herinneren, zijn ook de herinneringen zelf moeilijker terug te halen.

Vergeten wordt dus veelal gezien als een passief proces dat zich buiten onze bewuste controle afspeelt. Hoewel er bewijs is voor de bovenstaande drie theorieën, gaan zij allemaal voorbij aan het feit dat er negatieve herinneringen kunnen zijn die men op een gecontroleerde, actieve manier wil vergeten. Een vierde verklaring stelt daarom dat inhibitie ten grondslag ligt aan vergeten (Anderson & Spellman, 1995). Inhibitie betekent dat jij zowel je acties als je gedachten kunt stoppen (Apšvalka et al., 2020). Bijvoorbeeld niet krabben aan een muggenbult terwijl we dat wel zouden willen. Inhibitie is overigens niet specifiek voor mensen; het lijkt universeel en is ook in dieren aanwezig, waaronder honden, apen en ratten (Bekinschtein et al., 2018; Bray et al., 2015; Eagle et al., 2008). In het voorbeeld van de adreswijziging zorgt inhibitie ervoor dat het ophalen van het oude adres wordt gestopt, waardoor het nieuwe adres makkelijk kan worden opgehaald. Dit (herhaaldelijke) inhibitieproces zorgt ervoor dat de oude herinnering minder toegankelijk wordt. Inhibitie speelt niet alleen een rol wanneer selectief één herinnering moet worden opgehaald ten koste van een andere herinnering (het voorbeeld van de bovenstaande adreswijziging), maar ook wanneer het ophalen van een losstaande herinnering volledig moet worden gestopt. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval wanneer je liever niet wil denken aan een overleden dierbare wanneer je langs zijn of haar huis rijdt) (Anderson, 2003). We spreken dan over gemotiveerd vergeten.

Gemotiveerd vergeten

Het stoppen van het ophalen van herinneringen kan worden bestudeerd met de Think/NoThink (TNT) taak (Anderson & Green, 2001; Anderson et al., 2004). Deze taak bootst situaties na waarin het ophalen van een (ongewenste) herinnering moet worden gestopt en de herinnering dus uit het bewustzijn moet worden gehouden (zie Figuur 1). In de leerfase bestuderen deelnemers een lijst met ongeveer 45 woordparen die bestaan uit een hint en een respons (bijvoorbeeld SUIKER – MIER, SOEP – TIJM). Zij leren deze paren totdat zij in minstens 50% van de gevallen wanneer zij de hint zien (SUIKER), de respons (MIER) kunnen ophalen. In de TNT-fase wordt ieder woord 8 tot 16 keer gepresenteerd. Een deel van de hintwoorden zijn in het groen weergegeven; deelnemers moeten dan het responswoord ophalen (think). Een ander deel van de hintwoorden zien ze niet (baseline) en het overig deel van de hintwoorden is in het rood weergegeven (no think). Bij het zien van de rode hintwoorden krijgen deelnemers de instructie om niet aan het responswoord te denken en daarmee te zorgen dat het niet in hun bewustzijn komt. Hierbij speelt inhibitie een rol (Anderson, 2003). Het niet denken aan responswoorden horend bij de rode hintwoorden in de TNT-fase zorgt ervoor dat het ophalen van het responswoord op een latere (onverwachte) geheugentest minder makkelijk gaat. Deelnemers vergeten als het ware het responswoord voor deze rode hintwoorden en dat vergeten is zelfs groter dan voor responswoorden van paren die deelnemers überhaupt niet hadden gezien in de TNT-fase (Anderson & Huddleston, 2012; Stramaccia et al., 2020). Daarnaast is het zo dat hoe vaker deelnemers de instructie kregen om niet aan het responswoord te denken, hoe groter het vergeeteffect werd (Hanslmayr et al., 2009; Lambert et al., 2010; Lee et al., 2007). Dit toont aan dat er een actief proces speelt dat de toegankelijkheid van een herinnering aantast – en dat zorgt voor ‘vergeten.’

 

Figuur 1. Standaard verloop van een Think/No-Think taak. In de leerfase bestuderen deelnemers woordparen. In de TNT fase moeten deelnemers aan het tweede deel van het paar denken als het eerste deel groen is (think) of te vermijden om te denken aan het eerste deel als het rood is (no think). Een derde van de woorden is in deze fase niet te zien (baseline). In de testfase moeten alle responswoorden opgehaald worden. Er worden hier meestal twee tests voor gebruikt. Beide tests laten het typisch patroon van resultaten zien, namelijk dat het tweede woord van een rood paar slechter wordt onthouden dan woorden uit de twee andere condities (Anderson & Huddleston, 2012).

 

Om aan te tonen dat inhibitie betrokken is bij vergeten in TNT taak, is testen met onafhankelijke hintwoorden belangrijk (Anderson, 2003). Bij inhibitie wordt er namelijk vanuit gegaan dat specifiek het responswoord zelf minder toegankelijk wordt en dus vergeten wordt (bijvoorbeeld SNEEUW, zie A in Figuur 2). Als dat inderdaad zo is, dan moet het vergeeteffect ook gevonden worden met onafhankelijke hintwoorden. Dit zijn woorden die sterk gerelateerd zijn aan het originele responswoord (bijvoorbeeld WINTER – S). Het vinden van het vergeeteffect met de originele hintwoorden als test kan er ook op wijzen dat iemand het responswoord niet meer weet omdat er herhaaldelijk aan iets anders gedacht is in de TNT-fase (zie C in Figuur 2) of omdat de relatie tussen het hint en responswoord afgeleerd is (zie B in Figuur 2). Daarmee is het responswoord zelf natuurlijk niet vergeten.

Figuur 2. Een onafhankelijk hintwoord (SNEEUW – W) kan worden gebruikt om te testen of het vergeten van het responswoord het gevolg is van inhibitie; het minder toegankelijk worden van het originele responswoord (A). Vergeeteffecten gevonden met de originele hintwoorden (JAS - ?) kunnen namelijk ook het gevolg zijn van interferentie door afleidende gedachten die de deelnemer tijdens de TNT fase zelf bedacht heeft om niet aan het responswoord te hoeven denken (C) of doordat de relatie tussen het hint en het responswoord afgeleerd is (B).

 

Hoewel er veel onderzoeken zijn die het vergeeteffect laten zien (Anderson & Huddleston, 2012; Stramaccia et al, 2020), wordt het niet altijd gevonden (Bergström et al., 2007; Bulevich et al., 2006; Wessel et al., 2005; 2020). Met name de effecten met de onafhankelijk hintwoorden zijn informatief, maar die zijn niet even consistent (Wessel et al., 2020). Het komt ook regelmatig voor dat de test met onafhankelijke hintwoorden niet wordt afgenomen in het onderzoek (Stramaccia et al., 2020). Daardoor is het soms moeilijk eenduidig te concluderen of vergeten in een TNT onderzoek komt door inhibitie of een ander proces (zoals interferentie of afleren).

Wat kunnen we gemotiveerd vergeten?

De vergeeteffecten in de TNT-taak worden gevonden voor eenvoudig materiaal, zoals neutrale woorden of afbeeldingen (Anderson & Green, 2001; Hart & Schooler, 2012), maar ook voor negatieve woorden (van Schie et al., 2013), negatieve afbeeldingen (Gagnepain et al., 2017) en details van negatieve autobiografische herinneringen (Noreen & MacLeod, 2013; Stephens et al., 2012). Het herhaaldelijk onderdrukken van herinneringen resulteert in vergeten op de geheugentest, maar het zorgt er ook voor dat het aantal intrusies aan de ongewilde herinnering (het responswoord dat hoort bij het rode hintwoord) tijdens de TNT-fase afneemt met meer herhaling (Levy & Anderson, 2012; Benoit et al., 2015). Gemotiveerd vergeten heeft niet alleen een effect op het bewust kunnen ophalen en herinneren van woorden of afbeeldingen, maar heeft ook een effect op de waarneming. Het kost deelnemers bijvoorbeeld meer tijd om objecten te herkennen waar ze eerder niet aan mochten denken (Gagnepain et al., 2014; Kim & Yi, 2013).

Gemotiveerd vergeten heeft zelfs effecten op de emotieregulatie van ongewenste herinneringen. Zo kan gemotiveerd vergeten de hartslag vertragen bij het zien van negatief materiaal dat men moest onderdrukken (LeGrand et al., 2020) en zorgt het ervoor dat negatief materiaal als minder negatief wordt beoordeeld (Gagnepain et al., 2017; Harrington et al., 2021; Streb et al., 2016). Dit doet vermoeden dat inhibitie een algemeen proces is dat niet alleen een effect heeft op de feitelijke inhoud van de herinnering (wie, wat, waar, wanneer), maar ook de emotie die verbonden is aan de herinnering. Gemotiveerd vergeten zou daarom een veerkrachtige strategie kunnen zijn om met negatieve emoties om te gaan. Als onze herinneringen het startpunt zijn van de emoties die we voelen, dan verwachten we dat het stoppen van het ophalen van deze herinneringen ook de bijbehorende emoties vroegtijdig stoppen (Engen &Anderson, 2018; Nørby, 2018). Of dat ook mogelijk is voor traumatische herinneringen (in het echte leven) is nog onduidelijk omdat het moeilijk te onderzoeken is. Het is immers onethisch om deelnemers aan een onderzoek eerst te traumatiseren om ze vervolgens te vragen om het gemotiveerd te vergeten. Om aanwijzingen te vinden of traumatische, ongewenste herinneringen kunnen worden vergeten is het wel mogelijk om te kijken hoe goed allerhande klinische groepen zijn in gemotiveerd vergeten. Dit soort herinneringen spelen voor deze groepen vaak een centrale rol in hun stoornis.

Kan iedereen gemotiveerd vergeten?

Verschillende onderzoeken naar gemotiveerd vergeten laten zien dat gezonde volwassenen de bekende vergeeteffecten laten zien, maar bij personen met een psychologische stoornis (zoals angststoornis, posttraumatische stressstoornis (PTSS) of depressie) is dat niet het geval (voor een meta-analyse, zie Stramaccia et al, 2020). Zelfs verhoogde (maar niet-klinische) scores op angst of piekeren, of een slaaptekort zijn al gerelateerd aan verminderd gemotiveerd vergeten (Dieler et al., 2014; Harrington et al., 2021; Marzi et al., 2014). Dat deze groepen hier slecht(er) in zijn, past ook bij de symptomen van de psychologische stoornissen. Intrusieve herinneringen en gedachten zijn – hoewel ze soms iets anders tot uiting komen – schering en inslag bij veel stoornissen. Flashbacks aan een traumatische gebeurtenis zijn een kernsymptoom van PTSS, rumineren over het verleden komt veelvuldig voor bij depressie, obsessieve gedachten kenmerken de obsessieve compulsieve stoornis en piekeren over de toekomst is te vinden bij verschillende angststoornissen (Ehring & Watkins, 2008). Dit suggereert dat niet iedereen in staat is gemotiveerd vergeten aan te wenden om intrusieve herinneringen en gedachten te stoppen.

Wat exact de oorzaak en het gevolg is bij een psychologische stoornis en het niet gemotiveerd kunnen vergeten, is nog een onbeantwoorde vraag. Er zijn aanwijzingen dat gemotiveerd vergeten zich ontwikkelt na traumatische ervaringen als een soort aangeleerde veerkracht. Onderzoek laat namelijk zien dat iemand die vaker een traumatische gebeurtenis heeft meegemaakt in zijn of haar jeugd, beter is in gemotiveerd vergeten (Hulbert & Anderson, 2018). In een recent onderzoek zijn mensen gevolgd nadat zij de terroristische aanslagen in Parijs in 2015 hadden meegemaakt. Deze traumatische gebeurtenis leidde niet voor alle deelnemers tot PTSS; deelnemers die wel blootgesteld zijn maar geen PTSS ontwikkelden, lieten gemotiveerd vergeten zien. Deelnemers die geen gemotiveerd vergeten lieten zien hadden wel een diagnose van PTSS (Mary et al., 2020).

Anderzijds zorgen traumatische gebeurtenissen voor stress. En stress zorgt vaak voor een sterkere, beter opgeslagen herinnering (Joëls et al., 2006) én voor minder goed gemotiveerd vergeten (Ashton et al., 2020; Quaedflieg et al 2020). In die zin zorgen traumatische ervaringen en de stress die daarmee samengaat voor een bepaalde mate van kwetsbaarheid om een psychologische stoornis te ontwikkelen. De samenhang tussen een psychologische stoornis en (het niet kunnen) gemotiveerd vergeten maakt in ieder geval duidelijk dat niet iedereen gemotiveerd kan vergeten. Het is daarom ook af te raden om personen met een psychologische stoornis dit te laten proberen, bijvoorbeeld als onderdeel van de klinische behandeling. Herhaaldelijk proberen te onderdrukken zonder dat iemand de capaciteit daarvoor heeft frustreert niet alleen, het zorgt er waarschijnlijk ook voor dat de ongewilde herinnering vaker in gedachten opkomt.

Het onderdrukken van een herinnering lukt dus niet altijd middels gemotiveerd vergeten. Een alternatieve strategie is om simpelweg ergens anders aan te denken (Benoit & Anderson, 2012; del Prete et al., 2015). Hoewel het (nog) weinig bestudeerd is, zorgt gedachtenvervanging bij mensen met depressieve klachten ervoor dat ook zij in de TNT-taak ongewenste herinneringen kunnen vergeten (Hertel & Calcaterra, 2005; Joorman et al., 2009). Mogelijk generaliseert dat effect naar personen met een andere psychologische stoornis, zoals PTSS of een angststoornis.

Kan ik zelf ook gemotiveerd vergeten?

Het korte antwoord hierop is ‘ja!’. De meeste mensen kunnen dit. Echter, over de toepasbaarheid in het dagelijkse leven is vooralsnog nog weinig bekend; veel van het onderzoek richt zich namelijk op de fundamentele vraag of gemotiveerd vergeten überhaupt mogelijk is en dat onderzoek laat zien dat het uitvoerbaar is voor eenvoudige woorden en afbeeldingen. Het kan natuurlijk zo zijn dat je in het dagelijkse leven dit soort zaken soms gemotiveerd wilt vergeten, bijvoorbeeld wanneer je de bioscoop uitloopt en even niet meer wilt denken aan die ene vervelende scène uit een film. Dat moet dan ook wel lukken.

Gemotiveerd vergeten lijkt (tot zekere hoogte) ook op te gaan voor zelfrelevante persoonlijke herinneringen aan gematigd negatieve situaties (Noreen & MacLeod, 2013; Stephens et al., 2012). Daarvan kun je bepaalde details vergeten. Dus als je merkt dat er aanwijzingen of cues zijn in jouw omgeving die vaak dezelfde herinnering oproepen waar je op dat moment niet aan wilt denken, dan kun je proberen die buiten het bewustzijn te houden of te duwen. Mocht je – ook na enige oefening – merken dat je eraan blijft denken, dan kan dit een indicatie zijn dat jouw inhibitiecapaciteit niet toereikend is. Mogelijk ervaar je een bepaalde mate van stress of neerslachtigheid, heb je niet goed geslapen of is de herinnering simpelweg te heftig. In dat soort situaties is het niet aan te raden om pogingen te doen om gemotiveerd te vergeten.

Conclusie

Dat mensen vergeten staat onherroepelijk vast, maar vergeten is niet uitsluitend het gevolg van passieve processen waar wij geen controle over hebben. Vergeten gebeurt ook doordat wij op een bewuste manier (delen van) onze herinneringen of gedachten kunnen aanpassen en de bijbehorende emoties kunnen reguleren. Inhibitie lijkt hierin een belangrijke rol te spelen. Dat deze vaardigheid met name aanwezig is bij gezonde volwassenen, wekt de suggestie dat gemotiveerd vergeten essentieel is voor het mentaal welzijn. Hoe de oorzaak-gevolgrelatie precies zit tussen het ontwikkelen van een psychologisch stoornis en (verminderd) gemotiveerd vergeten en of we herinneringen aan negatieve (traumatische) gebeurtenissen kunnen vergeten, is nog een belangrijke openstaande vraag. Een hoopvolle gedachte is dat gemotiveerd vergeten een veerkrachtige strategie kan zijn om de ontwikkeling van een psychologische stoornis te voorkomen. Maar of dat daadwerkelijk zo is, kan alleen toekomstig onderzoek uitwijzen.

 

Referenties

Anderson, M. C. (2003). Rethinking interference theory: Executive control and the mechanisms of forgetting. Journal of memory and language, 49(4), 415-445. https://doi.org/10.1016/j.jml.2003.08.006

Anderson, M. C., & Green, C. (2001). Suppressing unwanted memories by executive control. Nature, 410(6826), 366-369. https://doi.org/10.1038/35066572

Anderson M.C., Huddleston E. (2012). Towards a Cognitive and Neurobiological Model of Motivated Forgetting. In: Belli R. (eds) True and False Recovered Memories. Nebraska Symposium on Motivation, vol 58. Springer, New York, NY. https://doi.org/10.1007/978-1-4614-1195-6_3

Anderson, M. C., Ochsner, K. N., Kuhl, B., Cooper, J., Robertson, E., Gabrieli, S. W., ... & Gabrieli, J. D. (2004). Neural systems underlying the suppression of unwanted memories. Science, 303(5655), 232-235. https://doi.org/10.1126/science.1089504

Anderson, M. C., & Spellman, B. A. (1995). On the status of inhibitory mechanisms in cognition: memory retrieval as a model case. Psychological review, 102(1), 68. https://psycnet.apa.org/doi/10.1037/0033-295X.102.1.68

Apšvalka, D., Ferreira, C. S., Schmitz, T. W., Rowe, J. B., & Anderson, M. C. (2020). Dynamic targeting enables domain-general inhibitory control over action and thought by the prefrontal cortex. bioRxiv.

Ashton, S. M., Benoit, R. G., & Quaedflieg, C. W. (2020). The impairing effect of acute stress on suppression-induced forgetting of future fears and its moderation by working memory capacity. Psychoneuroendocrinology, 120, 104790. https://doi.org/10.1016/j.psyneuen.2020.104790

Bekinschtein, P., Weisstaub, N. V., Gallo, F., Renner, M., & Anderson, M. C. (2018). A retrieval-specific mechanism of adaptive forgetting in the mammalian brain. Nature communications, 9(1), 1-12. https://doi.org/10.1038/s41467-018-07128-7

Benoit, R. G., & Anderson, M. C. (2012). Opposing mechanisms support the voluntary forgetting of unwanted memories. Neuron, 76(2), 450-460. https://doi.org/10.1016/j.neuron.2012.07.025

Benoit, R. G., Hulbert, J. C., Huddleston, E., & Anderson, M. C. (2015). Adaptive top–down suppression of hippocampal activity and the purging of intrusive memories from consciousness. Journal of cognitive neuroscience, 27(1), 96-111. https://doi.org/10.1162/jocn_a_00696

Bergström, Z. M., Velmans, M., de Fockert, J., & Richardson-Klavehn, A. (2007). ERP evidence for successful voluntary avoidance of conscious recollection. Brain research, 1151, 119-133. https://doi.org/10.1016/j.brainres.2007.03.014

Bray, E. E., MacLean, E. L., & Hare, B. A. (2015). Increasing arousal enhances inhibitory control in calm but not excitable dogs. Animal cognition, 18(6), 1317-1329. https://dx.doi.org/10.1007%2Fs10071-015-0901-1

Brown, J. (1958). Some tests of the decay theory of immediate memory. Quarterly Journal of Experimental Psychology, 10, 12–21. https://doi.org/10.1080/17470215808416249

Bulevich, J. B., Roediger, H. L., Balota, D. A., & Butler, A. C. (2006). Failures to find suppression of episodic memories in the think/no-think paradigm. Memory & cognition, 34(8), 1569-1577. https://doi.org/10.3758/BF03195920

del Prete, F., Hanczakowski, M., Bajo, M. T., & Mazzoni, G. (2015). Inhibitory effects of thought substitution in the think/no-think task: Evidence from independent cues. Memory, 23(4), 507-517. https://doi.org/10.1080/09658211.2014.907429

Dieler, A. C., Herrmann, M. J., & Fallgatter, A. J. (2014). Voluntary suppression of thoughts is influenced by anxious and ruminative tendencies in healthy volunteers. Memory, 22(3), 184-193. https://doi.org/10.1080/09658211.2013.774420

Eagle, D. M., Bari, A., & Robbins, T. W. (2008). The neuropsychopharmacology of action inhibition: cross-species translation of the stop-signal and go/no-go tasks. Psychopharmacology, 199(3), 439-456. https://doi.org/10.1007/s00213-008-1127-6

Ehring, T., & Watkins, E. R. (2008). Repetitive negative thinking as a transdiagnostic process. International journal of cognitive therapy, 1(3), 192-205. https://doi.org/10.1521/ijct.2008.1.3.192

Engen, H. G., & Anderson, M. C. (2018). Memory control: a fundamental mechanism of emotion regulation. Trends in Cognitive Sciences, 22(11), 982-995. https://doi.org/10.1016/j.tics.2018.07.015

Fawcett, J. M., & Hulbert, J. C. (2020). The many faces of forgetting: Toward a constructive view of forgetting in everyday life. Journal of Applied Research in Memory and Cognition, 9(1), 1-18. https://doi.org/10.1016/j.jarmac.2019.11.002

Gagnepain, P., Henson, R. N., & Anderson, M. C. (2014). Suppressing unwanted memories reduces their unconscious influence via targeted cortical inhibition. Proceedings of the National Academy of Sciences, 111(13), E1310-E1319. https://doi.org/10.1073/pnas.1311468111

Gagnepain, P., Hulbert, J., & Anderson, M. C. (2017). Parallel regulation of memory and emotion supports the suppression of intrusive memories. Journal of Neuroscience, 37(27), 6423-6441. https://doi.org/10.1523/JNEUROSCI.2732-16.2017

Hanslmayr, S., Leipold, P., Pastötter, B., & Bäuml, K. H. (2009). Anticipatory signatures of voluntary memory suppression. Journal of Neuroscience, 29(9), 2742-2747. https://doi.org/10.1523/JNEUROSCI.4703-08.2009

Harrington, M. O., Ashton, J. E., Sankarasubramanian, S., Anderson, M. C., & Cairney, S. A. (2021). Losing control: Sleep deprivation impairs the suppression of unwanted thoughts. Clinical Psychological Science, 9(1), 97-113. https://doi.org/10.1177%2F2167702620951511

Hart, R. E., & Schooler, J. W. (2012). Suppression of novel stimuli: Changes in accessibility of suppressed nonverbalizable shapes. Consciousness and cognition, 21(3), 1541-1546. https://doi.org/10.1016/j.concog.2012.06.005

Hertel, P. T., & Calcaterra, G. (2005). Intentional forgetting benefits from thought substitution. Psychonomic Bulletin & Review, 12(3), 484-489. https://doi.org/10.3758/BF03193792

Hulbert, J. C., & Anderson, M. C. (2018). What doesn’t kill you makes you stronger: Psychological trauma and its relationship to enhanced memory control. Journal of Experimental Psychology: General, 147(12), 1931. http://dx.doi.org/10.1037/xge0000461

Ioannidis, J. P., Munafo, M. R., Fusar-Poli, P., Nosek, B. A., & David, S. P. (2014). Publication and other reporting biases in cognitive sciences: Detection, prevalence, and prevention. Trends in Cognitive Sciences, 18(5), 235–241. https://doi.org/10.1016/j.tics.2014.02.010

James, W. (1890). The principles of psychology, Vol. 1. New York, NY: Henry Holt.

Joëls, M., Pu, Z., Wiegert, O., Oitzl, M. S., & Krugers, H. J. (2006). Learning under stress: how does it work?. Trends in cognitive sciences, 10(4), 152-158. https://doi.org/10.1016/j.tics.2006.02.002

Joormann, J., Hertel, P. T., LeMoult, J., & Gotlib, I. H. (2009). Training forgetting of negative material in depression. Journal of abnormal psychology, 118(1), 34.https://psycnet.apa.org/doi/10.1037/a0013794

Kim, K., & Yi, D. J. (2013). Out of mind, out of sight: Perceptual consequences of memory suppression. Psychological Science, 24(4), 569-574. https://doi.org/10.1177%2F0956797612457577

Lambert, A. J., Good, K. S., & Kirk, I. J. (2010). Testing the repression hypothesis: Effects of emotional valence on memory suppression in the think–no think task. Consciousness and cognition, 19(1), 281-293. https://doi.org/10.1016/j.concog.2009.09.004

Lee, Y. S., Lee, H. M., & Tsai, S. H. (2007). Effects of post-cue interval on intentional forgetting. British Journal of Psychology, 98(2), 257-272. https://doi.org/10.1348/000712606X120410

Legrand, N., Etard, O., Vandevelde, A., Pierre, M., Viader, F., Clochon, P., ... & Gagnepain, P. (2020). Long-term modulation of cardiac activity induced by inhibitory control over emotional memories. Scientific reports, 10(1), 1-19. https://doi.org/10.1038/s41598-020-71858-2

LePort, A. K. R., Mattfeld, A. T., Dickinson-Anson, H., Fallon, J. H., Stark, C. E. L., Kruggel, F., . . . McGaugh, J. L. (2012). Behavioral and neuroanatomical investigation of highly superior autobiographical memory (HSAM). Neurobiology of Learning and Memory, 98, 78–92. https://doi.org/10.1016/j.nlm.2012.05.002

LePort, A. K., Stark, S. M., McGaugh, J. L., & Stark, C. E. (2016). Highly superior autobiographical memory: Quality and quantity of retention over time. Frontiers in psychology, 6, 2017. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2015.02017

Levy, B. J., & Anderson, M. C. (2012). Purging of memories from conscious awareness tracked in the human brain. Journal of Neuroscience, 32(47), 16785-16794. https://doi.org/10.1523/JNEUROSCI.2640-12.201

Luria, A. R. (1968). The mind of a mnemonist. New York, NY: Basic Books.

Mary, A., Dayan, J., Leone, G., Postel, C., Fraisse, F., Malle, C., ... & Gagnepain, P. (2020). Resilience after trauma: The role of memory suppression. Science, 367(6479). http://dx.doi. org/10.1126/ science.aay8477

Marzi, T., Regina, A., & Righi, S. (2014). Emotions shape memory suppression in trait anxiety. Frontiers in Psychology, 4, 1001. https://doi.org/10.3389/fpsyg.2013.01001

Nietzsche, F. (1998). Unfashionable observations: Volume 2 (The complete works of Friedrich Nietzsche). New York, NY: Stanford University Press. (Original work published 1873–1876)

Noreen, S., & MacLeod, M. D. (2013). It's all in the detail: Intentional forgetting of autobiographical memories using the autobiographical think/no-think task. Journal of Experimental Psychology: Learning, Memory, and Cognition, 39(2), 375. https://psycnet.apa.org/doi/10.1037/a0028888

Nørby, S. (2015). Why forget? On the adaptive value of memory loss. Perspectives on Psychological Science, 10(5), 551-578. https://doi.org/10.1177/1745691615596787

Nørby, S. (2018). Forgetting and emotion regulation in mental health, anxiety and depression. Memory, 26(3), 342-363. https://doi.org/10.1080/09658211.2017.1346130

Parker, E. S., Cahill, L., & McGaugh, J. L. (2006). A case of unusual autobiographical remembering. Neurocase, 12(1), 35-49. https://doi.org/10.1080/13554790500473680

Quaedflieg, C. W. E. M., Schneider, T. R., Daume, J., Engel, A. K., & Schwabe, L. (2020). Stress impairs intentional memory control through altered theta oscillations in lateral parietal cortex. Journal of Neuroscience, 40(40), 7739-7748. https://doi.org/10.1523/JNEUROSCI.2906-19.2020

Sahakyan, L., & Kelley, C. M. (2002). A contextual change account of the directed forgetting effect. Journal of Experimental Psychology: Learning, Memory, and Cognition, 28(6), 1064. https://psycnet.apa.org/doi/10.1037/0278-7393.28.6.1064

Stephens, E., Braid, A., & Hertel, P. T. (2013). Suppression-induced reduction in the specificity of autobiographical memories. Clinical Psychological Science, 1(2), 163-169. https://doi.org/10.1177%2F2167702612467773

Stramaccia, D. F., Meyer, A. K., Rischer, K. M., Fawcett, J. M., & Benoit, R. G. (2020). Memory suppression and its deficiency in psychological disorders: A focused metaanalysis. Journal of Experimental Psychology: General. https://psycnet.apa.org/doi/10.1037/xge0000971

Streb, M., Mecklinger, A., Anderson, M. C., Lass-Hennemann, J., & Michael, T. (2016). Memory control ability modulates intrusive memories after analogue trauma. Journal of affective disorders, 192, 134-142. https://doi.org/10.1016/j.jad.2015.12.032

Underwood, B. J. (1957). Interference and forgetting. Psychological review, 64(1), 49. https://doi.org/10.1037/h0044616

van Schie, K., Geraerts, E., & Anderson, M. C. (2013). Emotional and non-emotional memories are suppressible under direct suppression instructions. Cognition & Emotion, 27(6), 1122-1131. https://doi.org/10.1080/02699931.2013.765387

Wessel, I., Albers, C. J., Zandstra, A. R. E., & Heininga, V. E. (2020). A multiverse analysis of early attempts to replicate memory suppression with the Think/No-think Task. Memory, 28(7), 870-887. https://doi.org/10.1080/09658211.2020.1797095

Wessel, I., Wetzels, S., Jelicic, M., & Merckelbach, H. (2005). Dissociation and memory suppression: A comparison of high and low dissociative individuals’ performance on the think–no think task. Personality and Individual Differences, 39(8), 1461-1470. https://doi.org/10.1016/j.paid.2005.05.009

Auteur(s) van het artikel

Facebook